Informatie over falende artsen, tandartsen, verpleegkundigen, verloskundigen, psychologen, bestuurders, politici, juristen en rechters

Laatste update: 12 februari 2018, zie www.bigregister.nl voor meest recente overzicht met namen van zorgverleners met maatregel wegens onvoldoende zorgverlening.

Lees kort interview met voorzitter stichting  Mr Sophie Hankes SIN-NL

Deze website dient om patiënten te informeren en te beschermen almede om falende zorgverleners alsmede anderen betrokken bij juridische oordeels- of beleidsvorming inzake gezondheidszorg ter verantwoording te roepen, en is niet bedoeld als leedtoevoeging of schandpaal.
Deze website staat online met toestemming van de Nederlandse rechter, uitspraak 25 sept. 2009, opvraagbaar bij SIN-NL, naar aanleiding van een verzoek van dr Kuks, neuroloog UMCG.
De rechter  gaf ook toestemming aan SIN-NL om neuroloog Kuks UMCG op de zwarte lijst artsen te  handhaven.

Deze website wordt gepubliceerd in het kader van het algemeen belang, de vrijheid van meningsuiting en persvrijheid.
De inhoud van deze website betreft witte boorden criminaliteit volgens de definitie van Edwin Sutherland.
Let op: tuchtcolleges leggen in minder dan 15 % een maatregel op aan falende zorgverleners en dan meestal een waarschuwing. De namen van falende zorgverleners aan wie een waarschuwing is opgelegd, worden niet gepubliceerd in het overzicht van het BIG-register.

Op 14 januari 2017 introduceerde SIN-NL het begrip sjoemelarts, met als voorbeeld neuroloog J.B.M.Kuks.

Meer openbaarmakingen Inspectie Gezondheidszorg en overige inspectiediensten

29 juni 2017: Minister Schippers besluit tot meer openbaarmakingen Inspectie Gezondheidszorg, in het kader van transparantie, het algemeen belang en het aanzetten tot verbeteren van kwaliteit van prestatie!

Artikel Mr Sophie Hankes, SIN-NL:
Openbaarmaking tuchtstraf maakt zorg beter.

Tuchtcollege 21 maart 2017:
waarschuwing aan P.M.S. Schröder, longarts Tergooiziekenhuis ivm overlijden van Rogier Mooij 21jr

Dr P. M. S. Schröder longarts is verantwoordelijk is voor de dood van Rogier Mooij en kreeg bovenstaande waarschuwing voor het onnodig overlijden van deze 21-jarige jongen….
De grote vraag is: waarom ging longarts Schröder om 17.00 uur naar huis, terwijl hij wist dat Rogier Mooij rond dat tijdstip per ambulance bij zijn ziekenhuis aankwam en  naar zijn afdeling werd gebracht.
Wat was er belangrijker?
Het leven van deze jongen en het leed dat de nabestaanden wordt aangedaan telt niet of nauwelijks….
De onderste steen moet boven.
Er moet helderheid komen over de onnodige dood van Rogier.
Wie waren betrokken, wie waren verantwoordelijk, wie waren nalatig.
Longarts Schröder  hoort zich in sowieso te zetten voor de verbetering van de kwaliteit van zorg en voor verbetering van de positie van slachtoffers van medische fouten en hun nabestaanden.

Deze rechters van het medisch tuchtcollege Amsterdam gaven hem slechts een waarschuwing:
mr. A.A.A.M. Schreuder, voorzitter,
drs. J.I. van der Spoel,
drs. J.J.C.M. Rooijmans – Rietjens
dr. J.P. van der Sluijs, leden – artsen beroepsgenoten,
mr. dr. A. Wilken, lid – jurist,
mr. S.S. van Gijn, secretaris

Let op onderstaande informatie is verstrekt door de BIG-Informatielijn Agentschap CIBG :
De Wet BIG maakt gebruik van de term ” doorhalen”:
-op verzoek van de ingeschrevene,
-op grond van een tucht- en/of strafrechtelijke maatregel of
-vanwege het verstrijken van de uiterste herregistratiedatum.
Wanneer er sprake is van een beroepsverbod, opgelegd door een Nederlandse of buitenlandse rechter, dan is de doorhaling als zodanig terug te vinden  in het overzicht van zorgverleners aan wie een maatregel of bevel is opgelegd, zie www.bigregister.nl.
Doorhaling in het BIG-register betekent dat de zorgverlener in Nederland niet mag werken in zijn beroep. Dit houdt niet in dat hij het beroep niet mag uitvoeren in het buitenland.

T:  BIG-informatielijn 0900-8998225  vanuit het buitenland, ook vanuit Nederland 0031 (0)70-3406600
F:  0031 (0) 70-3405966 E:  info@bigregister.nl W: http://www.bigregister.nl

Internationale Zwarte Lijsten

Tobé, R.P.

Naam
R.P. Tobé
Geslacht
Man
Werkadres 1
Adrianalaan 161 3053 MB ROTTERDAM
BIG-nummer
49035200204
Beroepsgroep
Fysiotherapeuten
Beperking BIG-register
De inschrijving in het register van fysiotherapeuten is per 16 juli 2014 geschorst voor de duur van 4 weken tot en met 13 augustus 2014. De maatregel is opgelegd vanwege: grensoverschrijdend gedrag.
Begindatum maatregel
16-07-2014
Einddatum maatregel
14-08-2014

Toetenel, J.W.

Naam
Toetenel Jan Willem
Geslacht
Man
BIG-nummer
09024326102
Beroepsgroep
Tandartsen
Plaats

Den Haag
Aantekening
Bij de inschrijving in het register van tandartsen is per 22 juni 2016 aangetekend dat deze zorgverlener een berisping is opgelegd. De maatregel is opgelegd vanwege: onjuiste behandeling en/of verkeerde diagnose en onzorgvuldige dossiervorming.

Tol, A. van

Naam
A. van Tol (Arie)
Geslacht
Man
BIG-nummer
99024327202
Beroepsgroep
Tandartsen
Plaats
Katwijk
Aantekening
Bij de inschrijving in het register van tandartsen is per 10 maart 2016 aangetekend dat deze zorgverlener een berisping is opgelegd. De maatregel is opgelegd vanwege: onjuiste behandeling en/of verkeerde diagnose.
ECLI:NL:TGZCTG:2016:115 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2015.323  Klacht tegen een tandarts. Klager en zijn partner (C2015.324) zijn patiënt geweest bij detandartspraktijk van verweerder (tandarts). Klager heeft een klacht ingediend die het RTG aldus heeft geordend:
1. Verweerder liegt en bedriegt.
2. Verweerder heeft onvoldoende informatie verstrekt.
3. Verweerder heeft geen behandelplan gemaakt en/of verstrekt.
4. Verweerder heeft de begroting niet besproken.
5. Verweerder heeft de gemaakte foto’s en OPG niet besproken.
6. Klager is behandeld door de preventieassistente (i.p.v. door verweerder)
.7. Klager is niet doorverwezen naar een specialist.
8. Verweerder heeft een valse beschuldiging geuit over bedreiging.
9. Klager is onterecht uitgeschreven.
RTG Den Haag: Ad 1 en 8: ongegrond. Ad 2 t/m 7: Gegrond.
Ad 9: Gegrond.Berisping met publicatie.
Het CTG verklaart het beroep van de tandarts ten aanzien van de klachtonderdelen 2 tot en met 5 en 7 gegrond en vernietigt in zoverre de beslissing waarvan hoger beroep.
Voor de gegrond verklaarde klachtonderdelen 6 en 9 acht het CTG de maatregel van waarschuwing passend. Datum uitspraak: 10-03-2016 Datum publicatie: 10-03-2016 ECLI: ECLI:NL:TGZCTG:2016:115

tuchtrecht.overheid.nl

C E N T R A A L  T U C H T C O L L E G E

voor de Gezondheidszorg

Beslissing in de zaak onder nummer C2015.323 van:

A., tandarts, werkzaam te B., appellant, verweerder in eerste aanleg, gemachtigde mr. A.M. de Koning,

tegen

C., wonende te B., verweerder in hoger beroep, klager in eerste aanleg.

1.        Verloop van de procedure

C. – hierna klager – heeft op 5 juni 2014 bij het Regionaal Tuchtcollege te Den Haag tegen A. – hierna de tandarts – een klacht ingediend. Bij beslissing van 14 juli 2015, onder nummer 2014-152a,heeft dat College de klacht deels gegrond verklaard en de maatregel van berisping opgelegd onder de bepaling dat de beslissing gepubliceerd zal worden nadat deze onherroepelijk is geworden.

De tandarts is van die beslissing tijdig in hoger beroep gekomen. Klager heeft een verweerschrift in hoger beroep ingediend.

De zaak is in hoger beroep, tegelijkertijd maar niet gevoegd met de zaak C2015.324, behandeld ter openbare terechtzitting van het Centraal Tuchtcollege van 14 januari 2016, waar zijn verschenen de tandarts, bijgestaan door mr. A.M. de Koning, advocaat te Amsterdam, en vergezeld van mevrouw D., en klager.

In de zaak is over en weer bepleit. Mr. De Koning heeft de standpunten van de tandarts toegelicht aan de hand van een pleitnotitie die aan het Centraal Tuchtcollege is overgelegd. Op verzoek van de tandarts heeft mevrouw D. enkele vragen van

mr. De Koning beantwoord.

2.        Beslissing in eerste aanleg

Het Regionaal Tuchtcollege heeft aan zijn beslissing het volgende ten grondslag gelegd.

            “2.    De feiten

            2.1       Sinds 21 oktober 2010 stond klager ingeschreven in de praktijk van verweerder en toen vond een eerste consult plaats. Verweerder heeft de tandartsenpraktijk overgenomen van tandarts E..

Tijdens dit eerste consult heeft een uitgebreide gebitsreiniging plaatsgevonden en is een intra-orale röntgenfoto gemaakt.

            2.2       Op 11 januari 2011 vond een incidenteel consult plaats in verband met pijnklachten aan element 47; er is toen tevens een intra-orale röntgenfoto gemaakt. Op 22 januari 2011 vond een uitgebreide endodontische behandeling plaats aan element 47; er is toen wederom een intra-orale röntgenfoto gemaakt.

            2.3       Op de volgende consulten heeft eveneens een gebitsreiniging (meestal uitgebreid) plaatsgevonden: 24 februari 2011, 7 april 2011, 6 oktober 2011,

            13 januari 2012, 13 februari 2012 en op 22 mei 2012.

In de aantekeningen behorende bij de (digitale) patiëntenkaart heeft verweerder bij het eerste consult van 21 oktober 2010 onder meer geschreven: pt komt voor eerste keer c, mhg slecht tot matig, paro (dpsi 3/2/3/4/2/4) uitgebreid uitgelegd en ook risico’s en consequenties, veel suikermomenten, veel plak, meerdere laesies (…) -> advies plan maken met bw ed (geen recente fotos !!!) -> pt weinig onder de indruk en vindt het prima zoals het is, bij last geeft hij het wel aan zegt hij. volgende c nog eens verder op borduren (eigenlijk wil ik hem ook over 3 maanden nog eens zien zodat wij hem nog eens erop kunnen wijzen en kunnen motiveren want actie nodig -> pt belt zelf wel voor een nieuwe afspraak zegt hij).

Bij het consult van 24 februari 2011 heeft verweerder vermeld: paro: pt wil nog wachten met parostatus ed gewezen op belang!!!

En bij het consult van 7 april 2011: weinig vooruitgang, paroproblematiek (DPSI nog zelfde) en mhg dringt niet echt door.

Bij het consult van 13 januari 2012: (…) nu iov met pt begonnen met behandelen tandvlees, eerst m59 [uitgebreide gebitsreiniging, toev. College] en mhg … (…) iedere keer een stap verder (proberen pt te overtuigen dat parobehandeling heel belangrijk is) beter iets dan niets doen.

Bij het consult van 13 februari 2012:  pt wenst brug van 24 naar 26, 47 kroon -> eerst paro onder controle hebben samen met mhg en cariës !!!

En bij het consult van 22 mei 2012: dpsi nog steeds zelfde, mhg waardeloos -> occlusieafbouw??

            2.4       Op 5 juni 2012 heeft tussen partijen een gesprek plaatsgevonden; hierbij was ook de partner van klager, mevrouw F., aanwezig. In de aantekeningen behorend bij de digitale patiëntenkaart staat bij deze datum onder meer vermeld: pt vandaag langs geweest … verwacht dat we hem prodeo behandelen voortaan en oa een brug gratis maken. hij is het ook niet eens met de andere rekeningen

aan pat verteld dat ten eerste paor [paro; toev. College] en caries en mhg och dienen te zijn voordat we een brug ed maken en ten tweede wij geen prodeo behandelingen doen (…) hij komt steeds zomaar binnen om te reclameren over E., kaakchirurg en G. en zit te roepen in de wachtkamer en wil gelijk behandeld worden of binnenkomen om zaken te bespreken, driegt en intimideerd -> geen consulten voor berekend. wil nu nog eens alles gratis -> waar houdt het op?

PAT HEEFT ZICH UITGESCHREVEN (OP VERZOEK PT, GEVRAAGD NAAR WELKE TANDARTS GEGEVENS MOETEN, WILDE HIJ NIET ZEGGEN) DOSSIER MEEGEGEVEN.

            2.5       Als laatste aantekening staat bij 1 oktober 2012 onder andere opgenomen: pt belde afgelopen donderdag, bedreigde nogmaals. en zei ook dat hij aan het bedreigen was en dat hij iemand zou langssturen … donderdagavond bij politie geweest voor aangifte, melding gemaakt.

vandaag om 9.30u gebeld en aangegeven wie zijn nieuwe tandarts is dat hij dossier nogmaals … per e-mail krijgt ….

            2.6       Klager heeft bij brief van 15 juni 2012 een klacht ingediend bij de NMT. De klacht is, na een mislukte bemiddelingspoging door de Regionale Bemiddelingsraad, behandeld door de Centrale Klachtencommissie (CKC) van de NMT.  Bij beslissing van 24 mei 2013 heeft de CKC de klachten ongegrond verklaard.

3.     De klacht

Het klaagschrift en de klachtonderdelen zijn niet geordend. Met verweerder begrijpt het College aldus dat het gaat om de volgende klachtonderdelen.

            1. Verweerder liegt en bedriegt.

            2. Verweerder heeft onvoldoende informatie verstrekt.

            3. Verweerder heeft geen behandelplan gemaakt en/of verstrekt.

            4. Verweerder heeft de begroting niet besproken.

            5. Verweerder heeft de gemaakte foto’s en OPG niet besproken.

            6. Klager is behandeld door de preventieassistente (i.p.v. door verweerder).

            7. Klager is niet doorverwezen naar een specialist.

            8. Verweerder heeft een valse beschuldiging geuit over bedreiging.

            9. Klager is onterecht uitgeschreven.

            4.       Het standpunt van verweerder

Verweerder heeft de klacht(onderdelen) en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen bestreden. Voor zover nodig wordt daarop hieronder ingegaan.

            5.       De beoordeling

            5.1       Ter zitting is gebleken dat partijen wat betreft de beleving van de feiten en omstandigheden soms lijnrecht tegenover elkaar staan. Zo verschillen partijen van mening over hetgeen tijdens de consulten gezegd is door verweerder (of diens assistente), of de (uitgebreide) gebitsreiniging ook door verweerder is uitgevoerd (voor en/of na de gebitsreiniging door de assistente), of er toezeggingen zijn gedaan over het gratis uitvoeren van een behandeling (kroon en/of brug), hoe het gesprek verlopen is op 5 juni 2012 en wanneer het medisch dossier van klager aan hem is overhandigd. In beginsel geldt dan het (vaste) uitgangspunt dat aan het woord van de een niet meer geloof kan worden gehecht dan aan het woord van de ander, zodat het college dan geen oordeel kan geven over bepaalde geschilpunten. Indien en voor zover er aanknopingspunten zijn te vinden in de stukken voor de ene of de andere versie, zal het College hierop nader ingaan.

            5.2       Voor alle duidelijkheid vermeldt het College dat het een eigen zelfstandig oordeel heeft te vormen over de klachten van klager, ook als die nagenoeg hetzelfde en al beoordeeld zijn door de CKC van de NMT; in zoverre is het College niet gebonden aan dat oordeel.

            5.3       Het College zal de klachtonderdelen 2 tot en met 7 gezamenlijk bespreken en beoordelen nu deze klachtonderdelen zien op het tandheelkundig handelen van verweerder. Uit de aantekeningen in de patiëntenkaart volgt genoegzaam dat bij klager sprake was van parodontale problemen. Deze parodontale problematiek is bij het eerste consult wel door verweerder onderkend, maar hij heeft hierop geen adequate behandeling ingezet. De eerste DPSI-meting op 21 oktober 2010 (zie onder 2.3) had verweerder al moeten nopen tot het uitzetten van een behandelbeleid dat gericht was op het onder controle krijgen van de parodontale problematiek. Verweerder heeft dit wel in zijn aantekeningen opgeschreven, maar heeft vervolgens bij klachten van klager op 22 januari 2011 er toch voor gekozen om element 47 endodontisch te behandelen en te voorzien van een uitgebreide composiet restauratie (composietkroon). In feite was deze behandeling weinig zinvol gezien de ernstige parodontale problematiek. (Anders gezegd: een kroon plaatsen op een tand of kies waarvan het fundament instabiel is door de tandvleesproblematiek, is geen zinvolle of adequate tandheelkundige behandeling.) Het moge zo zijn dat klager deze behandeling mogelijk wel wenste in verband met zijn pijnklachten, het is uiteindelijk de professionele verantwoordelijkheid van verweerder om een dergelijke behandeling (ten sterkste) af te raden dan wel niet uit te voeren dan wel de patiënt door te sturen naar een collega voor een consult/second opinion teneinde een voor klager geschikt behandelplan op te stellen. Ter zitting is niet bevestigd door klager, en in feite sterk door hem bestreden, dat verweerder hetgeen hij heeft opgeschreven in de aantekeningen (zie onder 2.3) ook op zo’n duidelijke wijze aan klager heeft verteld, althans dat hij zich ervan vergewist heeft dat klager ook daadwerkelijk begreep dat zijn tandvlees in (zeer) slechte staat was met alle nare gevolgen van dien.

De gebitsreinigingen van klager zijn verricht door een (preventie)assistente van verweerder en niet door een mondhygiëniste,  hetgeen wel noodzakelijk was omdat alleen een mondhygiëniste bevoegd (en bekwaam) is om dieper onder het tandvlees te reinigen dan een (preventie)assistente. Verweerder heeft ter zitting wel verklaard dat hij zelf ook de gebitsreiniging deed, zowel voordat de (preventie)assistente deze had uitgevoerd als daarna (dus er zou 3x een gebitsreiniging hebben plaatsgevonden), doch dit blijkt niet uit de patiëntenkaart en is tevens bestreden door klager. Bovendien heeft klager ter zitting onbestreden aangevoerd dat hij op 6 oktober 2011 voor het laatst door verweerder is behandeld; daarná hebben nog enige gebitsreinigingen plaatsgevonden door de (preventie)assistente. Dat ook een mondhygiëniste deze gebitsreinigingen heeft uitgevoerd blijkt niet uit de stukken (en de patiëntenkaart). Verweerder heeft eveneens ter zitting verklaard dat hij bij nagenoeg iedere behandeling van klager zelf ook een DPSI-meting uitvoerde, maar dat hij dat niet altijd noteerde in de patiëntenkaart. Hetzelfde heeft hij verklaard met betrekking tot het uitvoeren van een zogeheten plakscore: ook dit is niet terug te vinden in de patiëntenkaart. Het goed bijhouden van een patiëntenkaart is gebaseerd op het goed kunnen volgen van de medische (tandheelkundige) status van de patiënt (en dient dus niet primair als bewijsmiddel in tuchtrechtelijke procedures); deze plicht voor de beroepsbeoefenaar staat ook met zoveel woorden in artikel 7:454 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Ook een vervangend of opvolgend tandarts heeft houvast aan een goed bijgehouden dossier, opdat deze goed geïnformeerd is over de metingen, onderzoeken en behandelingen die zijn uitgevoerd met betrekking tot deze patiënt en daarop zijn beleid kan afstemmen.

Voorts blijkt niet genoegzaam uit de patiëntenkaart (ook niet uit de aantekeningen) dat verweerder de röntgenfoto’s met klager heeft besproken.

            5.4       Ter zitting heeft klager verklaard dat hem het meest dwars zit dat hij niet goed geïnformeerd is door verweerder over de slechte parodontale staat van zijn gebit; als hij dat had geweten dan had hij direct een klacht ingediend tegen zijn vorige tandarts E.. Desgevraagd heeft verweerder verklaard dat bij meerdere patiënten uit de door hem overgenomen praktijk sprake is van een (zeer) matige mondhygiëne, maar dat hij zijn voorganger ook niet heeft willen afvallen. Wat daar ook van zij, het College kan niet vaststellen in hoeverre klager goed is ingelicht over de matige status van zijn mond: hetzij omdat de boodschap niet duidelijk is verwoord door verweerder, hetzij omdat klager de boodschap niet goed heeft begrepen. In ieder geval had verweerder minst genomen zelf de mondhygiëne ter hand moeten nemen dan wel een mondhygiëniste het werk (ook) laten uitvoeren. Dat dit laatste ook gebeurd/uitgevoerd is, is het College niet gebleken.

            5.5       Al met al zijn de klachtonderdelen 2 tot en met 7 gegrond.

            5.6       Wat de klachtonderdelen 1 en 8 betreft kan het College kort zijn. Enige feitelijke onderbouwing dat verweerder zou liegen en bedriegen heeft het College niet in het dossier aangetroffen. Wel is (zeer) duidelijk dat partijen lijnrecht tegenover elkaar staan, maar dat wil niet zeggen dat de een of de ander dan liegt of bedriegt; het College verwijst naar hetgeen is overwogen onder 5.1. Voorts staat het verweerder vrij om zich tot de politie te wenden indien hij zich bedreigd voelt; dit is een (grond)recht dat iedere burger heeft. Of sprake is van een strafbaar feit (naar aanleiding van de aangifte of melding) is niet aan het oordeel van het College onderworpen, maar aan de officier van justitie. Deze klachtonderdelen zijn daarom ongegrond.

            5.7       Wat klachtonderdeel 9 betreft oordeelt het College als volgt. Partijen hebben op 5 juni 2012 met elkaar gesproken en volgens klager ging het gesprek over de toezegging die door de assistente was gedaan over het gratis uitvoeren voor het plaatsen van een kroon en/of een brug. Volgens klager zou de assistente gezegd hebben dat hij zich geen zorgen hoefde te maken en dat het in orde zou komen en dat het gratis zou zijn, of woorden van gelijke strekking. Ter zitting heeft de assistente op vragen van het College geantwoord dat zij dit niet gezegd heeft. Dit laatste wordt bevestigd door verweerder, die hieraan toevoegde dat ze dergelijke behandelingen (natuurlijk) niet gratis uitvoeren. Volgens de partner van klager, F., is die toezegging jegens klager wel gedaan. Het College kan niet vaststellen of en hoe deze toezeggingen zijn gedaan en dat doet voor deze tuchtrechtelijke zaak ook niet ter zake. Wel staat vast dat de gemoederen hoog opliepen tijdens dit gesprek en dat klager en zijn partner F. op enig moment de praktijk hebben verlaten met de woorden “kom, we gaan”  of woorden van gelijke strekking. Volgens verweerder, en dit is bevestigd door zijn assistente die ter zitting aanwezig was, is toen een uitdraai van de patiëntenkaart meegegeven aan klager. Dit laatste is krachtig bestreden door klager. Ook hier kan het College niet vaststellen wat er feitelijk heeft plaatsgevonden. Het had echter op de weg van verweerder gelegen om van het beëindigen van de tandarts-patiëntrelatie deugdelijk verslag te leggen en dan niet (alleen) in de patiëntenkaart maar ook door deze beëindiging vast te leggen in een schriftelijk stuk met de vermelding dat ook de patiëntenkaart (het medisch dossier) is meegegeven. (Hetzij in een aangetekende brief, hetzij door ondertekening van een schriftelijke verklaring ter plaatse, of anderszins). Het College licht dit als volgt toe.

            5.8       Op grond van artikel 7:460 BW kan de behandelovereenkomst door de behandelaar enkel worden opgezegd wegens gewichtige redenen. Het College wil aannemen dat op en na 5 juni 2012 sprake was van een zodanig verstoorde tandarts-patiëntrelatie dat verweerder op die grond de behandelovereenkomst met klager mocht beëindigen. Wel dient de hulpverlener, hier verweerder, ervoor zorg te dragen dat een patiënt, hier klager, dan wel verzekerd is van opvolgende (tandheelkundige) zorg en mag de hulpverlener zijn hulp niet weigeren indien sprake is van een medische noodsituatie die dringend ingrijpen vergt. Dit laatste is in deze zaak niet een discussiepunt. Gezien deze wettelijke verplichting dient verweerder er dus voor zorg te dragen dat het beëindigen van de behandelrelatie goed gedocumenteerd is en goed aan de patiënt wordt gecommuniceerd. Dat is hier niet het geval, zodat er nodeloze discussies zijn ontstaan over de vraag op welke wijze en op welk moment de behandelrelatie is beëindigd, op welke wijze en op welk moment de patiëntenkaart aan klager ter beschikking is gesteld.

            5.9       Concluderend oordeelt het College dat klachtonderdeel 9 gegrond is.       

            5.10     De conclusie is dat verweerder in strijd heeft gehandeld met de zorg die hij ten opzichte van klager behoorde te betrachten zoals bedoeld in artikel 47 lid 1 Wet BIG. De klacht is dan ook in nagenoeg alle onderdelen gegrond. 

Het College heeft geconstateerd dat verweerder niet eerder met de tuchtrechter in aanraking is geweest. De gegrondbevinding van de klachtonderdeel 9 zou leiden tot een waarschuwing, nu de beëindiging van de behandelrelatie beter had moeten worden gedocumenteerd. De gegrondbevinding van de klachtonderdelen 2 tot en met 7 moet leiden tot een berisping nu hier sprake is van verwijtbaar handelen van verweerder: hij had als tandarts de begeleiding van klagers mondproblematiek steviger en adequater moeten oppakken. 

            5.11     Om redenen aan het algemeen belang ontleend zal deze beslissing, zodra zij onherroepelijk is, op de voet van artikel 71 van de Wet BIG bekend worden gemaakt op hierna te vermelden wijze.”

3.        Vaststaande feiten en omstandigheden

Voor de beoordeling van het hoger beroep gaat het Centraal Tuchtcollege uit van de feiten en omstandigheden zoals weergegeven in de beslissing in eerste aanleg, welke weergave in hoger beroep niet, althans onvoldoende, is bestreden.

4.        Beoordeling van het hoger beroep

Procedure

4.1      Het hoger beroep van de tandarts strekt tot vernietiging van de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege voor zover daarin klachtonderdelen 2 tot en met 7 en 9 gegrond zijn verklaard en aan hem de maatregel van berisping is opgelegd. De tandarts concludeert tot vernietiging van de bestreden beslissing en opnieuw rechtdoende, tot ongegrondverklaring van de klacht in al haar onderdelen, althans tot het achterwege laten van het opleggen van een maatregel, dan wel tot oplegging van een lichtere maatregel.

4.2       Klager heeft gemotiveerd verweer gevoerd en (impliciet) geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

 

Beoordeling

4.3       Klachtonderdeel 2 houdt in dat de tandarts aan klager onvoldoende informatie heeft verstrekt. Blijkens de nadere toelichting op deze klacht op de zitting van het Regionaal Tuchtcollege –in zijn woorden volgens het proces-verbaal van deze zitting– zit het klager het meest dwars dat hij op 21 oktober (kennelijk bedoeld: 2010) al parodontitis had en dat de tandarts hem dat niet heeft gezegd. Als hij dat wel had gedaan dan had klager meteen een klacht kunnen indienen tegen zijn vorige tandarts. Klager stelt in zijn stukken dat hij pas op de zitting van de Centrale klachtencommissie van de Nederlandse Maatschappij tot bevordering der Tandheelkunde op 25 januari 2013 (behandeling van een klacht tegen de vorige tandarts) heeft vernomen dat hij parodontitis had.

4.4       Op grond van de aantekeningen van de tandarts op de patiëntenkaart van klager acht het Centraal Tuchtcollege aannemelijk dat de tandarts klager op 21 oktober 2010 heeft geïnformeerd over de parodontitis. Bij die datum is aangetekend:

pt komt voor eerste keer c, mhg slecht tot matig, paro (dpsi 3/2/3/4/2/4) uitgebreid uitgelgd en ook risico’s en consequenties, veel suikermomenten, veel plak, meerdere leasies (zowel glazuurleasies als caviteiten) ->advies plan maken met bw ed (geen recente fotos!!!)-> pt weinig onder de indruk en vindt het prima zoals het is, bij last geeft hij het wel aan zegt hij.

volgende c nog eens verder op borduren (eigenlijk wil ik hem over 3 maanden nog eens zien zodat wij hem nog eens erop kunnen wijzen en kunnen motiveren want actie nodig -> pt belt zelf wel voor een nieuwe afspraak zegt hij)

Volgens deze aantekening heeft de tandarts uitgebreid uitleg gegeven over de aanwezige parodontitis. Tevens heeft de tandarts de reactie van klager genoteerd: hij was weinig onder de indruk en vindt het prima zoals het is. Er zijn door klager geen aanknopingspunten aangedragen op grond waarvan aan de juistheid van deze aantekeningen getwijfeld zou moeten worden.

4.5       Dat klager pas op 25 januari 2013 bekend zou zijn geworden met het feit dat hij parodontitis had, is onaannemelijk. Volgens de gedetailleerde aantekeningen op de patiëntenkaart over de consulten op 22 januari 2011, 24 februari 2011,

7 april 2011, 30 juni 2011, 13 januari 2012, 13 februari 2012 en 5 juni 2012 is de parodontitis toen telkens aan de orde geweest. Ook hier geldt dat klager geen aanknopingspunten heeft aangedragen op grond waarvan aan de juistheid van deze aantekeningen getwijfeld zou moeten worden. De brief d.d. 20 december 2011 van tandartsJ.aan klager, die haar om een second opinion had gevraagd, behelst een advies dat onder meer inhoudt: “Indien het parodontium stabiel is, dan eventueel kroon 47.”. In de brief d.d. 12 april 2012 schrijft kaakchirurg

K.onder meer aan klager: “Bij onderzoek tref ik een milde parodontitis (…)”.

4.6       Klachtonderdeel 2 is ongegrond en zal door het Centraal Tuchtcollege alsnog worden afgewezen.

4.7       Klachtonderdeel 3 houdt in dat de tandarts geen behandelplan heeft gemaakt en/of verstrekt. In de beoordeling door het Regionaal Tuchtcollege heeft dit klachtonderdeel, dat tezamen met de klachtonderdelen 2 en 4 tot en met 7 is behandeld, een ruimere strekking gekregen, waartegen de tandarts in hoger beroep op zichzelf geen bezwaar heeft gemaakt. Het Regionaal Tuchtcollege heeft zich gebogen over de vraag of de tandarts, die de parodontale problematiek bij het eerste consult wel had onderkend, vervolgens een adequate behandeling heeft ingezet. Deze vraag werd ontkennend beantwoord. In klachtonderdeel 5 wordt de tandarts verweten dat hij de gemaakte foto’s en Orthopantomogram (OPG) niet heeft besproken en in klachtonderdeel 7 dat klager niet is doorverwezen naar een specialist. Deze drie klachtonderdelen lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

4.8       Uit genoemde aantekeningen van de tandarts komt het beeld naar voren dat de tandarts klager regelmatig heeft gewezen op de parodontale problematiek, maar dat klager niet instemde met de daarvoor door de tandarts aanbevolen behandeling. Naar aanleiding van de klachten van klager was het geenszins onzorgvuldig van de tandarts ervoor te kiezen om element 47 te voorzien van een uitgebreide composiet restauratie. Ook de verdere behandelingen van de tandarts kunnen niet als onzorgvuldig worden beoordeeld. Niet is gebleken dat de tandarts de gemaakte foto’s en OPG niet heeft besproken. Voor verwijzing naar een specialist was geen reden. Opgemerkt wordt dat in december 2011 nog aan kaakchirurgK.met betrekking tot verscheidene elementen om een tweede mening is gevraagd. De klachtonderdelen 3, 5 en 7 zijn ongegrond en zullen alsnog worden afgewezen.

4.9       Klachtonderdeel 4 houdt in dat de tandarts de begroting van 22 februari 2012 niet met klager heeft besproken. Volgens de tandarts is de begroting wel met klager besproken. De vraag of de begroting is besproken, behoeft geen beantwoording. Klager had deze begroting  aan de tandarts gevraagd in verband met zijn klachtzaak tegen de vorige tandarts. Op grond van de met klager gesloten behandelingsovereenkomst kon de tandarts niet verplicht worden geacht aan dit verzoek van klager mee te werken. De tandarts heeft dus onverplicht, kennelijk uit welwillendheid, gevolg gegeven aan het verzoek van klager een begroting te maken. Als juist zou zijn dat de tandarts de begroting niet met klager heeft besproken, kan dit daarom geen tuchtrechtelijk verwijt rechtvaardigen. Ook klachtonderdeel 4 zal alsnog worden afgewezen.

4.10     Klachtonderdeel 6 houdt in dat klager is behandeld door de preventie-assistente in plaats van door de tandarts en klachtonderdeel 9 houdt in dat klager onterecht is uitgeschreven. Beide klachtonderdelen zijn gegrond verklaard op gronden die het Centraal Tuchtcollege kan onderschrijven. Hetgeen door de tandarts in hoger beroep daartegen is ingebracht kan niet tot een ander oordeel leiden.

4.11     De slotsom is dat de door het Regionaal Tuchtcollege gegrond verklaarde klachtonderdelen 2 tot en met 5 en 7 alsnog zullen worden afgewezen en dat het hoger beroep wordt verworpen voor zover gericht tegen de gegrondverklaring van de klachtonderdelen 6 en 9. De klachtonderdelen 1 en 8 waren al door het Regionaal Tuchtcollege afgewezen en zijn geen onderwerp van het hoger beroep. Voor de gegrond verklaarde klachtonderdelen 6 en 9 acht het Centraal Tuchtcollege de maatregel van waarschuwing passend omdat kan worden volstaan met een zakelijke terechtwijzing zonder dat er aanleiding is hierop het stempel van persoonlijke laakbaarheid te drukken.

5.        Beslissing

Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

verklaart het beroep ten aanzien van de klachtonderdelen 2

tot en met 5 en 7 gegrond, vernietigt in zoverre de beslissing waarvan hoger beroep en opnieuw rechtdoende:

wijst deze klachtonderdelen alsnog af;

verwerpt het beroep voor het overige;

legt de tandarts ten aanzien van de gegrond verklaarde klachtonderdelen 6 en 9 de maatregel van waarschuwing op.

Deze beslissing is gegeven door: mr. E.J. van Sandick, voorzitter,

mr. G.P.M. van den Dungen en mr. A. Smeeïng-van Hees, leden-juristen en

drs. H.J. van Iterson en mr. drs. R. van der Velden, leden-beroepsgenoten en

mr. J. van den Hoven, secretaris, en uitgesproken ter openbare zitting van 10 maart 2016.

Voorzitter  w.g.          Secretaris  w.g.

Tol, S. A. van

Naam
Tol, Sylvia Alexandra van
Geslacht
Vrouw
BIG-nummer
79914310630
Beroepsgroep
Verpleegkundigen
Plaats
Vlaardingen
Aantekening
Bij de inschrijving in het register van artsen is per 16 oktober 2017 een bevoegdheidsbeperkende aanwijzing van de IGJ aangetekend met ingangsdatum 29 september 2017.
Deze aanwijzing houdt in dat de beroepsbeoefenaar geen zorg mag verlenen als bedoeld in de Wkkgz, totdat zij – naar het oordeel van de inspectie – voldoende aantoonbaar heeft gemaakt dat haar gezondheid zodanig is dat zij blijvend goede zorg kan verlenen aan cliënten. Zij dient dit aantoonbaar te maken door middel van een zorgvuldig opgestelde schriftelijke medische verklaring, die is opgemaakt door een onafhankelijke deskundige, die staat ingeschreven als arts in het BIG-register.
De maatregel is opgelegd vanwege: niet voldoen aan de voorwaarden voor het bieden van goede zorg. Tegen het bevel kan binnen zes weken na oplegging een rechtsmiddel worden ingesteld.

Tolman, J.

Naam
J. Tolman
Geslacht
Man
BIG-nummer doorgehaald
49031515030
Beroepsgroep
Verpleegkundigen
Beperking BIG-register
De inschrijving in het register van verpleegkundigen is per 8 mei 2013 doorgehaald.

Toorn, B.Y. van

Naam
Toorn, Brigitta Yolanda van
Geslacht
Vrouw
BIG-nummer
99059832225
Beroepsgroep
Gz-psychologen
Plaats
Groningen
Aantekening
Bij de inschrijving in het register van GZ-psychologen is per 20 december 2016 aangetekend dat deze zorgverlener een berisping is opgelegd. De maatregel is opgelegd vanwege afgifte van een onjuiste verklaring of rapport.
————————
www.tuchtrecht.overheid.nl

C E N T R A A L  T U C H T C O L L E G E

voor de Gezondheidszorg

Beslissing in de zaak onder nummer C2016.126 van:

A., gz-psycholoog, werkzaam te B., appellante, verweerster in eerste aanleg, gemachtigde: mr. F. van Woerden-Poppe, verbonden aan de stichting VvAA Rechtsbijstand te Utrecht,

tegen

C., verblijvende te D., verweerder in beroep, klager in eerste aanleg, gemachtigde: mr. B.J. Visser, advocaat te Breda.

1.        Verloop van de procedure

C. – hierna klager – heeft een klacht ingediend die, na doorzending, door het Regionaal Tuchtcollege te Eindhoven is ontvangen op 1 juli 2015 tegen mevrouw  A. – hierna de gz-psycholoog. Bij beslissing van 15 februari 2016, onder nummer 1586, heeft dat College de klacht deels gegrond verklaard en aan de gz-psycholoog voor het gegrond verklaarde deel de maatregel van berisping opgelegd.

De gz-psycholoog is van die beslissing tijdig in beroep gekomen. Klager heeft een verweerschrift in beroep ingediend.

De zaak is in beroep behandeld ter openbare terechtzitting van het Centraal Tuchtcollege van 25 november 2016, waar zijn verschenen namens klager mr. Visser voornoemd en de gz-psycholoog, bijgestaan door mr. Van Woerden-Poppe voornoemd. Klager is niet ter terechtzitting verschenen. Voorafgaand aan de zitting is door mr. Visser verzocht of hij tijdens de zitting door middel van een telefonische verbinding contact met klager mocht hebben, welk verzoek door het Centraal Tuchtcollege is gehonoreerd.

Zowel de gz-psycholoog en haar gemachtigde als de gemachtigde van klager hebben hun respectieve standpunten nader toegelicht.

2.        Beslissing in eerste aanleg

Het Regionaal Tuchtcollege heeft aan zijn beslissing het volgende ten grondslag gelegd.

“2.       De feiten

Het gaat in deze zaak om het volgende:

Verweerster heeft in opdracht van de officier van justitie te E. als vast gerechtelijk deskundige een psychologisch onderzoek in gesteld naar de persoon van klager. Het onderzoek heeft plaatsgevonden in december 2013 en januari 2014. Klager kon zich met de conclusies van het onderzoek in het geheel niet verenigen en heeft een klacht ingediend tegen verweerster.

De verdenking tegen klager luidde: mishandeling, vrijheidsberoving en verkrachting. Klager heeft deze strafbare feiten grotendeels ontkend.

3.         Het standpunt van klager en de klacht

Klager stelt zich op het standpunt dat het rapport de noodzakelijke kenmerken van rechtvaardigheid, waarheidsvinding, deskundigheid en gerechtigheid ontbeert door een negatieve bejegening van verweerster naar klager.

Ter onderbouwing heeft klager – kort weergegeven – het volgende aangevoerd:

a)              verweerster heeft klager zeer verontwaardigd bejegend toen hij meedeelde dat hij de middag van het eerste bezoek geen tijd had om met haar te praten. Verweerster legde bij het volgende bezoek zomaar haar voeten op een stoel naast klager, waar klager last van had. Zij gaf geen enkele uitleg daarover. Verweerster heeft klager meermalen boos aangekeken en zij gedroeg zich asociaal en onbeschoft.

b)             Verweerster heeft klager ten onrechte informatie onthouden. Zo is in het rapport ten onrechte opgenomen dat uitleg is gegeven over de vrijwillige status van het onderzoek, het inzagerecht, het beperkte correctierecht en het ontbreken van blokkeringsrecht.

c)              Bovendien heeft verweerster niet eens de moeite genomen om zelf het rapport te komen brengen of dit rapport met klager door te nemen.

d)             Verweerster is niet onafhankelijk en alles is gericht op het opleggen van een TBS aan klager.

e)              Het rapport staat volgens klager vol met onjuistheden en leugens en er is geen sprake van objectiviteit, onder andere bij de klinische observaties en indrukken. Ook in het hoofdstuk over de relatie met aangeefster staan onjuistheden.

f)               Verweerster heeft niet alleen zonder toestemming van klager aangeefster (de echtgenote van klager) benaderd en de van aangeefster verkregen informatie als informatie van derden weergegeven, terwijl klager aan verweerster heeft meegedeeld dat aangeefster kwaad is op klager en dat zij loog over klager, maar verweerster heeft de mededelingen van aangeefster zonder meer als waar aangenomen. Het vermoeden van klager dat aangeefster mogelijk zelf een psychische stoornis heeft, is door verweerster volledig genegeerd. Klager kan niet anders dan concluderen dat verweerster niet objectief en niet onafhankelijk is.

g)             Verweerster is bij het opstellen van het rapport er ten onrechte vanuit gegaan dat klager schuldig was aan de ten laste gelegde feiten.

h)             Verweerster heeft bovendien ten onrechte geconcludeerd dat klager niet getest kon worden vanwege zijn psychotische toestand, terwijl verweerster vervolgens wel de diagnose psychotisch stelt, welke diagnose volgens klager niet klopt. Klager is van mening dat geen diagnose kan worden gesteld als geen testen zijn afgenomen. De diagnose is bovendien onjuist omdat klager gedurende zijn detentie niet psychotisch is geweest en er ook geen aanwijzingen zijn gevonden dat klager psychotische episodes heeft gehad.

i)               Het rapport staat volgens klager bovendien haaks op het rapport van het NIFP E.F.. Klager is van mening dat het rapport niet is opgemaakt zoals van een psycholoog zou mogen worden verwacht en dat dit klachtwaardig is.

4.         Het standpunt van verweerster

Verweerster heeft – kort weergegeven – het volgende aangevoerd. Met betrekking tot de bejegening heeft verweerster bestreden dat zij verontwaardigd zou zijn geweest of dat zij klager heel boos zou hebben aangekeken. Verweerster herkent zich ook niet in de termen ‘asociaal’ en ‘onbeschoft’ waarbij zij ook een concrete onderbouwing mist. Zij erkent dat zij haar voet destijds op een stoel heeft gelegd doch zij heeft klager daarbij de uitleg gegeven dat dit was vanwege een chronische aandoening. Verweerster gaat ervan uit dat zij, zoals zij altijd doet, met betrokkene de standaardprocedure heeft doorgenomen. Zij heeft daarvan echter geen aantekeningen gemaakt.

Verweerster heeft voorts bestreden dat zij niet onafhankelijk zou zijn. De rapportage is opgemaakt na verzoek van de psychiater om uitbreiding van het onderzoek vanwege de complexe diagnostiek. Aanvankelijk was namelijk een monodisciplinair onderzoek opgedragen aan de psychiater. De opdracht is conform de regels gegeven door de Officier van Justitie maar dat duidt niet op enige afhankelijkheid. Verweerster bestrijdt dat zij invloed heeft op de straf of dat zij bij de advisering is gedreven door emoties. Verweerster heeft enkel de kans op recidive afgewogen. Verweerster bestrijdt voorts dat zij ervan uit is gegaan dat klager het ten laste gelegde zou hebben begaan. Een deel van het ten laste gelegde heeft klager overigens wel erkend. Verweerster heeft het ‘ten laste gelegde’ als geheel benoemd in haar rapportage en klager ook aangemerkt als een ontkennende verdachte.

Met betrekking tot de deskundigheid en de procedure heeft verweerster opgemerkt dat klager ten onrechte stelt dat er nog nooit een psychotische stoornis zou zijn vastgesteld. Zij verwijst daarbij naar het voorgeleidingsconsult NIFP van 22 oktober 2013 waar de diagnose “schizofrenie” zou zijn vastgesteld en het voorgeleidingsconsult van NIFP van 13 september 2013 waarin is opgenomen dat klager “zou kampen met recidiverende psychoses, pathologisch gokken en cocaïne misbruik. Tijdens de psychosen zou hij uren hardop voorlezen uit de Bijbel.” De psychiater kon op het moment van onderzoek geen psychotische stoornis constateren maar dat betekent volgens verweerster niet dat haar bevindingen haaks op die van de psychiater staan of dat de mederapporteur zich zou hebben aangesloten bij haar bevindingen. Verweerster staat achter haar eerdere conclusies.

De wijze waarop klager heeft kunnen reageren op het rapport is niet zoals te doen gebruikelijk, echter was verweerster van mening dat de situatie op voorhand als potentieel gevaarlijk kon worden ingeschat, zodat zij heeft gemeend er beter aan te doen om het rapport door een derde af te laten geven en klager de gelegenheid te geven schriftelijk te reageren, welke reactie ook aan het rapport is gehecht. Dat de procedure met betrekking tot het horen van aangeefster niet correct zou zijn verlopen wordt betwist door verweerster. Het stond verweerster naar haar mening vrij om contact op te nemen en zij achtte dit van belang voor de diagnostiek, omdat nadere informatie over de relatie tussen klager en aangeefster van belang was voor de inschatting van de recidivekansen. De verkregen informatie sloot ook overigens naadloos aan bij de aan de aangifte gekoppelde sfeerrapportage. Verweerster is van mening dat de klacht ongegrond dient te worden verklaard.

5.         De overwegingen van het college

Het college stelt voorop dat op de relatie tussen klager en verweerster de Beroepscode voor psychologen 2007 van het Nederlands Instituut voor Psychologen van toepassing is (de Code) en aanvullend daarop de gedragscode voor psychologen pro-justitia rapporteur. Daarnaast is het college van oordeel dat in onderhavige zaak acht dient te worden geslagen op de criteria waaraan een deskundigenrapport wordt getoetst, welke criteria als volgt luiden:

1.              de rapportage vermeldt de feiten, omstandigheden en bevindingen waarop het berust;

2.              het rapport geeft blijk van een geschikte methode van onderzoek om de voorgelegde vraagstelling te kunnen beantwoorden;

3.              in het rapport wordt op inzichtelijke en consistente wijze uiteengezet op welke gronden de conclusies van het rapport steunen;

4.              het rapport vermeldt de bronnen waarop het berust, daaronder begrepen de gebruikte literatuur en de geconsulteerde personen;

5.              de rapporteur blijft binnen de grenzen van zijn deskundigheid.

Het college dient ten volle te toetsen of het onderzoek door de deskundige – hier de psycholoog – uit het oogpunt van vakkundigheid en zorgvuldigheid de tuchtrechtelijke toets der kritiek kan doorstaan. Ten aanzien van de conclusie van de rapportage wordt beoordeeld of de deskundige in redelijkheid tot haar conclusie heeft kunnen komen.

Met betrekking tot klachtonderdeel a) overweegt het college als volgt. In gevallen, waarin de lezingen van partijen over de feitelijke gang van zaken uiteenlopen en niet kan worden vastgesteld welke van beide lezingen aannemelijk is, kan een verwijt dat gebaseerd is op de lezing van klager in beginsel niet gegrond worden bevonden. Dit berust niet op het uitgangspunt dat het woord van klager minder geloof verdient dan dat van verweerster, maar op de omstandigheid dat voor het oordeel dat een bepaalde gedraging of bepaald nalaten verwijtbaar is eerst moet worden vastgesteld dat er een voldoende feitelijke grondslag voor dat oordeel bestaat welke grondslag in onderhavige zaak ontbreekt. Dit klachtonderdeel is derhalve ongegrond.

Met betrekking tot klachtonderdeel b) oordeelt het college dat ingevolge voornoemde Code en de aanvullende gedragscode de informatie over het onderzoek, de rol en positie van de rapporteur en de werkwijze en vraagstelling bij voorkeur niet alleen mondeling maar ook schriftelijk dient te worden gegeven. Verweerster erkent dat zij de informatie in ieder geval niet schriftelijk heeft gegeven. In zoverre heeft verweerster niet voldaan aan de in de Code genoemde bepalingen, terwijl ook door klager uitdrukkelijk wordt bestreden dat deze informatie door hem is ontvangen. Daarmee kan niet worden vastgesteld dat verweerster heeft gehandeld in overeenstemming met de regels met betrekking tot inzage en afschrift, correctie en de (onmogelijkheid van) blokkering van de rapportage zodat dit klachtonderdeel naar het oordeel van het college gegrond is. Bovendien kan uit de rapportage worden opgemaakt dat verweerster de assistente die zij had meegenomen, niet aan klager had voorgesteld, getuige het feit dat klager kennelijk heeft gevraagd naar haar naam. Het behoort naar het oordeel van het college tot de elementaire beginselen van het uitvoeren van een onderzoek als het onderhavige, om de onderzochte, in dit geval klager, te informeren over de status en de personen die hulp bieden bij het uitvoeren van het onderzoek, ook als het werk van een assistente zich – naar zeggen van verweerster – beperkt tot het maken van aantekeningen tijdens de gesprekken. Ook in zoverre is de klacht omtrent het ontbreken van informatie gegrond. Het college hecht er overigens aan te vermelden dat de betreffende assistente van verweerster niet medisch geschoold was, doch een journalist in opleiding, welke hoedanigheid ten minste aan klager had moeten worden medegedeeld nu zij als zodanig niet tuchtrechtelijk kan worden aangesproken. Ook deze informatie is niet aan klager meegedeeld.

Klachtonderdeel c) is naar het oordeel van het college eveneens gegrond. Verweerster stelt dat zij het rapport niet zelf aan klager heeft overhandigd omdat zij de situatie als potentieel gevaarlijk inschatte en er geen mogelijkheden waren om in aanwezigheid van een medewerker van de P.I. het rapport te bespreken met klager. Zij wilde klager evenwel het inzage- en correctierecht niet onthouden en heeft haar assistente gestuurd om de zaak niet verder te laten escaleren. Het college mist in dit handelen vooreerst de duidelijkheid in de communicatie die jegens klager mocht worden verwacht. Het rapport betreft immers een psychologisch onderzoek naar klager waarvoor geen blokkeringsrecht geldt maar wel een correctierecht wanneer klager aannemelijk maakt dat het om onjuiste, onvolledige of niet terzake dienende gegevens gaat. Dit recht kan klager niet ontnomen worden, ook niet op grond van een door verweerster ingeschatte potentieel gevaarlijke situatie. Verweerster had klager ten minste moeten (laten) informeren over de wijze waarop klager zijn opmerkingen zou kunnen maken en een toelichting zou kunnen geven en krijgen. Verweerster had derhalve de mogelijkheden moeten onderzoeken of informatie en toelichting op zo helder mogelijke wijze zouden kunnen worden geven. Dat verweerster dit zou hebben onderzocht is niet gebleken. 

Klachtonderdeel d) is naar het oordeel van het college ongegrond, reeds omdat, wat er ook zij van de deugdelijkheid van de rapportage in het licht van hetgeen hierna wordt overwogen, niet kan worden vastgesteld dat verweerster bewust uit was op het benadelen van klager.

Met betrekking tot de klachtonderdelen e), f) g) en h) overweegt het college als volgt.

Het college mist om te beginnen in het rapport een gedegen verantwoording en uitleg van de setting van de contacten tussen klager en verweerster, de duur van de gesprekken en een onderbouwing van de reden waarom de aangeefster in het kader van een referentie telefonisch is bevraagd.

Het college is  voorts van oordeel dat het rapport diverse malen op een tendentieuze en subjectieve wijze verslag doet van de contacten tussen klager en verweerster. Het college wijst daarbij op onder meer de volgende passages:

“(pag 6) Gezien de tijd van het jaar en de wijze waarop betrokkene zich beweegt, heeft rapporteur de indruk dat zijn manier van kleden gericht is op het verkrijgen van aandacht en gericht is op imponeren. (…) in het tweede gesprek is betrokkene nog steeds overweldigend druk en dominant aanwezig. De sfeer voelt grimmig en dreigend aan, betrokkene is opgefokt en geladen. Hij tracht dat te verbergen achter een flitsende maar zeer onechte glimlach. Rapporteur heeft het gevoel op eieren te moeten lopen om het contact niet te verliezen en het is bijna een kunst om betrokkene niet te krenken. (…)

(pag 8, weergave van citaat van aangeefster:) ‘Ze raakte haar baan kwijt door overvloedige seks, daardoor functioneerde ze niet meer. Ze zeggen dat het door hem kwam’ (hahaha, betrokkene barst in lachen uit) (…)

(pag 9) Met nauwelijks onderdrukte agressie zegt betrokkene (…) Als de rapporteur vraagt hoe het komt dat aangeefster verklaart dat zij, sinds zij hem kent, 250.000 euro heeft uitgegeven, reageert betrokkene zeer onaangenaam en lacht hij rapporteur met nauwelijks bedwongen woede uit (…)

(pag 12) (…) Hij raakt dan een beetje ontremd maar niet in de zin dat hij iemand zou verkrachten ‘ook niet als je daarop uit bent hahaha’(…)”

Het rapport ontbeert tevens een deugdelijke onderbouwing waarom de testpsychologische onderzoeken niet konden worden afgenomen. Ook ontbreekt in het rapport een toelichting waarom niet is overgegaan tot het stellen van persoonlijkheidsvragen evenals tot het navragen van biografische gegevens zoals het verleden van klager, de gezinssituatie, de opleiding en dergelijke. Naar het oordeel van het college ontbeert derhalve de diagnose van een schizo-affectieve stoornis met narcistische en antisociale persoonlijkheidstrekken een deugdelijke onderbouwing. Verweerster merkt in haar rapport op dat in klagers presentatie ontremming en een vertekend realiteitsbesef op de voorgrond staan, dat sprake is van seksuele ontremming en dat het evident is dat klager de realiteit op een ander wijze ervaart dan anderen, maar het college kan uit het rapport niet opmaken op welke gegevens deze vaststellingen zijn gebaseerd. Verweerster stelt niet nader onderbouwd dat het na drie maanden detentie weinig waarschijnlijk is dat er sprake zou zijn van ontwenningspsychoses die eerder de oorzaak waren van een verstoord realiteitsbesef.  Voor het college is derhalve volstrekt onduidelijk waar verweerster haar conclusies en bevindingen op heeft gebaseerd. Zulks klemt temeer nu eerder de door verweerster geconstateerde diagnose niet is gesteld bij klager. Dat klager mogelijk aan verder specifiek onderzoek en testen niet wenste mee te werken doet er niet aan af dat op inzichtelijke en consistente wijze uiteen dient te worden gezet op welke gronden de conclusies van het rapport steunen.  Naar het oordeel van het college ontbreekt in het rapport de inzichtelijke en consistente uiteenzetting die nodig is om de conclusies te kunnen onderbouwen en waren er zeker verdere tests van klager mogelijk geweest.

Het college is voorts van oordeel dat in het rapport niet inzichtelijk is gemaakt waarom verweerster met aangeefster contact heeft opgenomen in het kader van de informatie van derden. Juist is weliswaar dat verweerster ook zonder toestemming van klager aangeefster mocht benaderen, echter welke toegevoegde waarde dit contact kon hebben voor de beoordeling van de psychologische toestand van klager blijkt niet uit de rapportage. Dat het contact van belang was voor de vaststelling van de recidivekansen, zoals door verweerster is aangevoerd, kan het college niet volgen, reeds omdat verweerster zelf heeft aangegeven dat de informatie die zij van aangeefster ontving, niet afweek van hetgeen zij reeds uit de aangifte had gedestilleerd. Bovendien is niet gebleken dat verweerster rekening heeft gehouden met de mogelijkheid dat de informatie van aangeefster gekleurd zou zijn juist vanwege de ten laste gelegde feiten. Het college is dan ook van oordeel dat de klachtonderdelen

e)  f) en h) in zoverre gegrond zijn. Daaraan doet niet af dat het college niet heeft kunnen vaststellen of verweerster ervan uit is gegaan dat klager schuldig zou zijn aan de ten laste gelegde feiten en klachtonderdeel g) in zoverre ongegrond is.

Met betrekking tot klachtonderdeel i) is het college van oordeel dat deze klacht ongegrond is, nu het NIFP wel degelijk tot een eigen conclusie is gekomen. Dat overigens volgens verweerster de mederapporteur tot eenzelfde conclusie is gekomen is naar het oordeel van het college onjuist. De mederapporteur heeft immers geen stoornis vastgesteld.

Gelet op al het vorenoverwogene zal aan verweerster een maatregel dienen te worden opgelegd. Over de vraag welke maatregel passend is overweegt het college dat de rapportage niet aan de te stellen eisen voldeed. Het college neemt voorts in aanmerking dat het college aan verweerster reeds eerder, bij beslissing van 25 juli 2007, een tuchtrechtelijke maatregel heeft opgelegd gekregen ter zake van onder meer onvoldoende objectiviteit bij het opmaken van de rapportage. Gelet op deze eerdere maatregel wordt door het college betwijfeld of verweerster inziet dat haar handelen beneden de maat is. Naar het oordeel van het college is de maatregel van berisping derhalve thans passend.”

3.        Vaststaande feiten en omstandigheden

Voor de beoordeling van het beroep gaat het Centraal Tuchtcollege uit van de feiten en omstandigheden zoals deze zijn vastgesteld door het Regionaal Tuchtcollege, met de toevoeging dat er in het onderhavige geval sprake was van een dubbel secundair onderzoek.

4.        Beoordeling van het beroep

4.1       De gz-psycholoog is onder aanvoering van negen grieven in beroep gekomen van de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege voor zover daarbij de klacht gegrond is verklaard. Het beroep strekt ertoe dat de gegrond verklaarde klachtonderdelen alsnog ongegrond worden verklaard, althans dat bij (gedeeltelijke) gegrond verklaring oplegging van een maatregel achterwege blijft dan wel dat een lagere maatregel zal worden opgelegd.

4.2       Klager heeft in beroep verweer gevoerd. Hij concludeert – impliciet – tot verwerping van het beroep van de gz-psycholoog en tot bevestiging van de bestreden beslissing.

4.3      Het Centraal Tuchtcollege neemt de eerste alinea van de overwegingen van het Regionaal Tuchtcollege onder 5. omtrent de toepasselijkheid van de Beroepscode over.

Met betrekking tot de thans nog aan de orde zijnde klachtonderdelen overweegt het Centraal Tuchtcollege als volgt.

Ad b.

Klager stelt dat hij onder meer geen uitleg heeft gekregen over de vrijwillige status van het onderzoek, het inzagerecht, het beperkte correctierecht en het ontbreken van blokkeringsrecht.

Het rapport vermeldt onder 1. ONDERZOEKSOPZET dat betrokkene bij aanvang van het onderzoek uitleg heeft gehad aangaande de vrijwillige status van zijn deelname, het doel van het onderzoek, zijn inzagerecht, het beperkte correctierecht en het ontbreken van blokkeringsrecht.

Het Centraal Tuchtcollege heeft, anders dan het Regionaal Tuchtcollege, geen reden er aan te twijfelen dat deze uitleg heeft plaats gevonden, temeer niet nu uit het als bijlage 2 bij het beroepschrift overgelegde format voor het psychologisch onderzoek blijkt dat een en ander niet in de voorgedrukte tekst staat en derhalve door de gz-psycholoog bewust is toegevoegd.

Dat ook overige informatie aan klager zou zijn onthouden danwel dat de gz-psycholoog haar assistente niet zou hebben voorgesteld is het Centraal Tuchtcollege niet gebleken.

Klachtonderdeel b. is derhalve ongegrond.

Ad c.

Met het Regionaal Tuchtcollege is het Centraal Tuchtcollege van oordeel dat een potentieel gevaarlijke situatie geen reden is om het zelfstandig overhandigen van het rapport aan klager achterwege te laten.

Op dit punt kan het beroep niet slagen.

Ad e.

Ook het Centraal Tuchtcollege is van oordeel dat het rapport elementen bevat die tendentieus en subjectief interpreterend zijn. Zo vermeldt het rapport onder 4. KLINISCHE OBSERVATIES EN INDRUKKEN onder meer:

“…De sfeer voelt grimmig en dreigend aan, betrokkene is opgefokt en geladen. Hij tracht dat te verbergen achter een flitsende maar zeer onechte glimlach. Rapporteur heeft het gevoel op eieren te moeten lopen om het contact niet te verliezen en het is bijna een kunst om betrokkene niet te krenken. …”.

Ook op dit onderdeel slaagt het beroep niet.

Ad f.

Klager stelt dat de gz-psycholoog niet objectief en onafhankelijk is, nu zij zonder meer is afgegaan op de informatie die ze van aangeefster heeft verkregen, terwijl klager heeft aangegeven dat zij mogelijk zelf een psychische stoornis heeft. Daarnaast heeft zij aangeefster zonder toestemming benaderd.

Het Centraal Tuchtcollege is met het Regionaal Tuchtcollege van oordeel dat niet vereist is dat de gz-psycholoog toestemming aan klager moest vragen alvorens aangeefster te benaderen.

De gz-psycholoog heeft echter onder 7. INFORMATIE VAN DERDEN louter informatie die zij heeft verkregen van aangeefster weergegeven. De gz-psycholoog had haar informatie van derden in het onderhavige geval niet mogen beperken tot aangeefster, het slachtoffer van de aan klager ten laste gelegde feiten. De gz-psycholoog heeft evenmin aangegeven hoe zij deze informatie heeft gewogen bij de beantwoording van de vragen en in haar uiteindelijke conclusie. Zo heeft zij bijvoorbeeld bij de beantwoording van vraag 5.b. ook slechts de verklaring van aangeefster gebruikt.

Ook het Centraal Tuchtcollege acht dit klachtonderdeel derhalve in zoverre gegrond.

Ad h.

Het Centraal Tuchtcollege is, anders dan het Regionaal Tuchtcollege, van oordeel dat de gz-psycholoog een testpsychologisch onderzoek achterwege kon laten als zij van mening was dat dit niet mogelijk was in verband met het psychiatrisch toestandsbeeld van klager.

De DSM-IV diagnose kan ook zonder testdiagnostiek worden gesteld, zodat de onder As-1 vermelde schizo-affectieve stoornis juist kan zijn.

Omtrent het al dan niet psychotisch zijn geweest van klager kan het Centraal Tuchtcollege geen oordeel geven.

Het beroep op dit klachtonderdeel slaagt derhalve.

4.4 Op te leggen maatregel

Het Centraal Tuchtcollege neemt – ondanks gedeeltelijk gegrondverklaring van het beroep zoals hiervoor is weergegeven – de maatregel van berisping en de overwegingen hieromtrent van het Regionaal Tuchtcollege over. Hieraan doet niet af dat de gz-psycholoog ter zitting van het Centraal Tuchtcollege heeft aangegeven dat ze haar werkwijze inmiddels heeft aangepast.

5.        Beslissing

Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

vernietigt de beslissing waarvan beroep voor wat betreft de klachtonderdelen b. en h;

verklaart deze klachtonderdelen alsnog ongegrond;

verwerpt, met instandhouding van de maatregel van berisping, het beroep voor het overige.

Deze beslissing is gegeven door: mr. A.D.R.M Boumans, voorzitter,

mr. L.F. Gerretsen-Visser en mr. A.R.O. Mooy, leden-juristen en drs. E.D. Berkvens en

mr. drs. L.C. Mulder, leden-beroepsgenoten en mr. M.D. Barendrecht-Deelen, secretaris, en uitgesproken ter openbare zitting van 20 december 2016.

Voorzitter   w.g.                                Secretaris  w.g.

Torrenga, R. A.

Jurist-voorzitter van het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg tot 1 jan 2010.Beide ouders waren medisch specialist. Handhaaft disfunctionerend systeem van tuchtrecht ter bescherming van medische beroepsgroep ten koste van slachtoffers/nabestaanden van medische fouten.

Toukhi, Mohammad Daud

Tandarts Mohammad Daud Toukhi mag zijn beroep sinds 9 november 2006 niet langer uitvoeren en is doorgehaald in het BIG-register.

Trommel, M.F. van

Achternaam
Trommel, Michiel Frank van
Geslacht
Man
BIG-nummer
19024350001
Beroep
Arts
Specialisme
Orthopedie (orthopeed)
Plaats
Aerdenhout
Maatregel
Bij de inschrijving in het register van artsen is per 21 november 2017 aangetekend dat deze zorgverlener een berisping is opgelegd. De maatregel is opgelegd vanwege: onjuiste behandeling en/of verkeerde diagnose.

Trossel, Robert

De Nederlandse arts Robert Trossel die in 2010 door het Britse tuchtcollege uit zijn ambt werd gezet, kan ook niet meer in Nederland werken. Als gevolg van aangescherpte regelgeving werd hij afgelopen maart ook doorgehaald in het Nederlandse artsenregister. Onlangs verloor hij de rechtszaak, waarmee hij die maatregel probeerde terug te draaien. Dat bevestigt zijn advocaat.

Robert Trossel. Beeld: PMC Robert Trossel. Beeld: PMC

Trossel raakte in 2006 in opspraak, nadat het televisieprogramma Newsnight had onthuld dat hij bij Britse patiënten een stamceltherapie toepaste die in Engeland destijds verboden was. Dat leidde er uiteindelijk toe dat de Britse pendant van ons medisch tuchtcollege, de General Medical Council (GMC) hem in oktober 2010 een beroepsverbod oplegde. In Nederland kon Trossel echter blijven doorwerken. Maar toen in de zomer van 2012 de Wet op de Beroepen in de Individuele Gezondheidszorg (wet BIG) werd aangescherpt, werd het mogelijk om Nederlandse artsen die in het buitenland niet meer mogen werken, ook in Nederland uit te sluiten.

Als gevolg daarvan werd Trossels inschrijving in het Nederlandse artsenregister op 28 maart 2013 doorgehaald. Nadat zijn bezwaar tegen de maatregel was afgewezen door de minister van Volksgezondheid, stapte de arts naar de rechter. Daar wees Trossel er onder meer op dat de eigenlijke behandeling van de Britse patiënten niet plaatsvond in Engeland, maar in Nederland. Daar was de behandeling destijds wel toegestaan.

Voor de Britse tuchtrechter was dat geen reden om van de maatregel af te zien. De GMC oordeelde dat ook de advisering over de behandeling valt onder ‘medisch handelen’, en dat de arts daardoor de regels heeft overschreden. Bovendien verweet de GMC de arts dat hij de belangen van zijn patiënten schaadde, misbruik maakte van zijn positie als arts, kwetsbare patiënten uitbuitte, patiënten misleidend informeerde, en onterecht hoop gaf op herstel.

Voor het doorhalen van de artsenregistratie in Nederland als gevolg van een buitenlandse beroepsbeperking is onder de aangescherpte wet geen nieuwe beoordeling nodig. Uit een recent vonnis dat vorige week openbaar werd, blijkt dat de Haagse rechtbank onlangs oordeelde dat de Nederlandse inschrijving op goede gronden is doorgehaald. Ook faalde Trossels beroep op de zogenoemde hardheidsclausule, waaronder in buitengewone gevallen een uitzondering op doorhaling kan worden gemaakt. Volgens Trossels juridisch raadsman Ger Kranendonk gaat de arts tegen de uitspraak van de Haagse rechter in hoger beroep. ‘Er is op deze uitspraak heel wat af te dingen. De hele gang van zaken is buitengewoon onzorgvuldig geweest.’

Trossel is niet de enige arts die zijn inschrijving in het BIG-register het afgelopen jaar verloor als gevolg van de aangescherpte wet die het mogelijk maakt in het buitenland geschrapte artsen ook in Nederland door te halen. Zo verloor in maart de omstreden patholoog-anatoom Dick van Velzen zijn BIG-registratie, en in augustus de orthopedisch chirurg Joan Schrijvers.

Mathijs Smit

Lees ook:

Online gepubliceerd op: 27 november 2013