Zoekresultaten voor: "plastisch chirurg"

Onselen, Edwin van

Edwin van Onselen, plastisch chirurg.
Op 24 jan. 2017 heeft het Centraal Tuchtcollege van Onselen de voorwaardelijke schorsing voor van Onselen teruggebracht naar 6 weken, de proeftijd is ingegaan op 24 januari 2017 en loopt tot en met 23 januari 2019, zie uitspraak onderaan.

Op 11 nov. 2016 heeft het medisch tuchtcollege Zwolle van Onselen 3 maanden geschorst ivm foutief uitvoeren van borstoperatie. Hij is veroordeeld  voor schending van zijn dossierplicht en schending van zijn zorgplicht, zie uitspraak op www.sin-nl.org

In 2007 was hij schuldig aan de dood van een 21 jarig meisje door ernstige fouten bij vetwijdering (liposuctie ) onder algehele anesthesie,  van Onselen werd hiervoor berispt door medisch tuchtcollege Amsterdam.
In 2004 stierf een vrouw die door van Onselen aan haar buik was geopereerd.
Zie over beide sterfgevallen: www.sin-nl.org

Uitzending Netwerk 17 april 2008 behandelt de  mogelijke oplichting  door dr. van Onselen van een vrouwelijke patiënte.

Tot verbijstering van SIN-NL zond SBS6 vanaf mei 2015 een serie programma’s uit Schoonheid door Wetenschap met van Onselen als hoofdcommentator, waarin hij reclame maakt voor zijn eigen kliniek.

Van Onselen blijkt anno 2016  ook werkzaam in Duitsland

Facharzt für Plastische und Ästhetische Chirurgie

Behandlungsschwerpunkte
Lidkorrekturen, Brustoperationen, Genitalchirurgie Frau

ACCZ | A Klinieken
Neutorplatz 2
46395 Bocholt
——————————-

Naam
E.B.H. van Onselen Edwin
Geslacht
Man
BIG-nummer
19045297501
Beroepsgroep
Artsen
Specialisme
Plastische chirurgie (plastisch chirurg)
Plaats
Brummen
Aantekening
De inschrijving in het register van artsen is per 24 januari 2017 voorwaardelijk geschorst voor de duur van drie maanden met een proeftijd van twee jaar.
Beslissing van Centraal Tuchtcollege24 jan. 2017 , zie hieronder.

De proeftijd is ingegaan op 24 januari 2017 en loopt tot en met 23 januari 2019.
De zorgverlener moet aan de volgende voorwaarden voldoen: zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maken aan enig handelen of nalaten dat in strijd is met de goede zorg die hij als arts behoort te betrachten dan wel in strijd is met de individuele gezondheidszorg. De maatregel is opgelegd vanwege: onjuiste behandeling en/of verkeerde diagnose.

Beperking BIG-register
Bij de inschrijving in het register van artsen is per 16 april 2013 aangetekend dat deze zorgverlener een berisping is opgelegd. De maatregel is opgelegd vanwege: geen of onvoldoende zorgverlening, onjuiste behandeling/verkeerde diagnose en schending van het beroepsgeheim.
Datum maatregel
16-04-2013


www.tuchtrecht.overheid.nl
Beslissing Centraal Tuchtcollege 24 jan. 2017

ECLI:NL:TGZCTG:2017:45
Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2016.158
Klacht tegen plastisch chirurg. Klaagster is operatief behandeld voor een borstverkleining. Na de operatie is bij klaagster tepelnecrose ontstaan.
Klaagster verwijt verweerder: voorafgaand aan de operatie onvoldoende informatie te hebben verstrekt, het medisch dossier op een later moment te hebben aangepast, onzorgvuldige verslaglegging en overdracht alsmede  onvoldoende nazorg, regie en follow-up.

Het Regionaal Tuchtcollege heeft alle klachtonderdelen gegrond verklaard, aan verweerder een voorwaardelijke schorsing voor de duur van drie maanden opgelegd met een proeftijd van een jaar en publicatie van de beslissing gelast.

Het Centraal Tuchtcollege ziet aanleiding de duur van de voorwaardelijke schorsing terug te brengen tot zes weken nu verweerder erblijk van heeft gegeven in te zien dat hij in de zorgverlening ten opzichte van klaagster is tekortgeschoten, er (kliniekbreed) aanpassingen zijn gedaan in de patiëntenzorg en verweerder niet eerder met een gegrond tuchtrechtelijk verwijt is geconfronteerd.
Voor het overige wordt het beroep verworpen.
Datum uitspraak: 24-01-2017 Datum publicatie: 25-01-2017 ECLI: ECLI:NL:TGZCTG:2017:45

C E N T R A A L  T U C H T C O L L E G E

voor de Gezondheidszorg

Beslissing in de zaak onder nummer C2016.158 van:

A., plastisch chirurg, werkzaam te B.,

appellant, verweerder in eerste aanleg,

gemachtigde: mr. O.L. Nunes, advocaat te Utrecht,

tegen

C., wonende te D., verweerster in beroep, klaagster in eerste aanleg.

1.        Verloop van de procedure

C, – hierna klaagster – heeft een klacht ingediend die, na doorzending, bij het Regionaal Tuchtcollege te Zwolle is ontvangen op 29 mei 2015 tegen A. – hierna de chirurg. Bij beslissing van 4 maart 2016, onder nummer 120/2015, heeft dat College de klacht gegrond verklaard, aan de chirurg de maatregel van voorwaardelijke schorsing van de inschrijving in het

BIG-register voor de duur van drie maanden met een proeftijd van een jaar opgelegd en publicatie van de beslissing gelast.

De chirurg is van die beslissing tijdig in beroep gekomen. Klaagster heeft een verweerschrift in beroep ingediend.

De zaak is in beroep behandeld ter openbare terechtzitting van het Centraal Tuchtcollege van 22 december 2016, waar zijn verschenen klaagster, en de chirurg, bijgestaan door mr. Nunes voornoemd.

Zowel klaagster als de chirurg en zijn gemachtigde hebben hun respectieve standpunten nader toegelicht. Mr. Nunes heeft daarbij gebruik gemaakt van pleitnotities die aan het Centraal Tuchtcollege zijn overgelegd.

2.        Beslissing in eerste aanleg

Het Regionaal Tuchtcollege heeft aan zijn beslissing het volgende ten grondslag gelegd.

“2.      De feiten

Op grond van de stukken (waaronder het medisch dossier) en het verhandelde ter zitting dient, voor zover van belang voor de beoordeling van de klacht, van het volgende te worden uitgegaan.

Klaagster, geboren in 1966, is naar E. gegaan voor een borstlift en borstverkleining. Verweerder is als plastisch chirurg werkzaam in E..

Op 12 juni 2014 is klaagster voor het eerst bij verweerder geweest. Verweerder maakte naar aanleiding daarvan de volgende aantekeningen:

“Mammaptosis  cup DD/E                P2P2/5/13in

                                  Li > Re                                  BVÅ

                                   VG Gb  Med o     Roken o    All o

 

Op het op 12 juni 2014 door verweerder ingevulde formulier staat aangegeven, voor zover thans van belang:

“Procedure besproken    Ja / Nee    (…)              Info/overeenkomst: Ja/Nee

Complicatie / Risico’s   Ja / Nee     Bijz complicaties: ……………………………….”

 

De operatie werd gepland voor 26 juni 2014. In overleg met klaagster werd de operatiedatum gewijzigd naar 25 juni 2014.

Op 25 juni 2014 vond een tweede gesprek plaats. Verweerder noteerde:

Op het door klaagster op 25 juni 2014 ondertekende toestemmingsformulier staat, voor zover thans van belang:

“Hij/zij verklaart naar aanleiding van deze raadpleging het volgende:

(…)

3.         Volledig op de hoogte te zijn gebracht door de behandelend arts van de risico’s die aan een dergelijke ingreep verbonden zijn en begrepen te hebben dat er bij de operatie complicaties kunnen optreden zoals nabloeding, infecties en littekenvorming;”

 

Op 25 juni 2014 vond de operatie van klaagster plaats. Genoteerd werd dat links

283 gram en rechts 245 gram huidweefsel werd verwijderd.         

Verweerder noteerde in het medisch dossier:

“OK RL/AA/DSO/G/1500mg i.v.

Mammared / lifting      mbv  Mediocraniale steel bdz

 V??? / 3×0   en M 4×0 I.C.

fraai / symm

BH”

Wat betreft de controles na de operatie staat het navolgende genoteerd:

“ALGEMEEN: Mw kwam ± 16³° uit OK. Partner is gebeld. kwam op bezoek. BH aan

WOND: Branderig + stuwing

                                               VERPLEEGKUNDIGE: J.

ALGEMEEN: Een beetje geslapen     weinig stuwing

WOND:

                                               VERPLEEGKUNDIGE: I.

ALGEMEEN: Mw waste zichzelf (…)

WOND: droog

                                   Werd opgehaald door haar zus

                                               VERPLEEGKUNDIGE: F.”

De checklist O.K. van 25 juni 2014 vermeldt als chirurg verweerder. Dit formulier is ondertekend met een paraaf van de o.k.-assistent en de chirurg. 

De ontslagchecklist is gedateerd 26 juni 2014 en ondertekend door ‘F.’.

Op 27 juni 2014 is klaagster door verpleegkundige G. gebeld voor een evaluatie. Naar aanleiding hiervan is opgetekend dat het goed gaat en dat klaagster geen pijn heeft. Over de wond is genoteerd dat er pleisters op zitten en dat een tepel een beetje donker is.

Op 2 juli 2014 vond de eerste nacontrole plaats. Verweerder noteerde:

“fraai  / areole  li iets blauw  

                                   bodem vitaal !

                                  C 3 mnd

                                  zn eerder.”

Op 7 juli 2014 nam klaagster telefonisch contact op met het medisch centrum omdat de wond begon te ontsteken. Na overleg met verweerder is geen antibiotica voorgeschreven.

Op 11 juli 2014 werd in het dossier genoteerd, door een collega van verweerder:

“Maakt zich zorgen omtepel, is emotioneel

O / ong, ¾ necroseareola , droge zwarte korst

B / Uitleg beloop, evt. nacorr. etc.                                                 Foto’s

    Belt als de korst er (bijna) af is”

Op 12 juli 2014 stuurde klaagster een brief naar verweerder. Zij schreef onder meer, voor zover thans relevant:

“Op woensdag 25 juni (…) ben ik de operatiekamer in gegaan (…).

’s Avonds bemerkte ik dat het puntje van mijn linker tepel er zwart uitzag en onder de pleister het tepelhof ook. De verpleegkundige heeft hier niet op gereageerd. Deze avond en nacht ben ik ook niet meer gecontroleerd door een arts, zelfs is er tot het moment van mijn ontslag zelfs niet mijn bloeddruk opgemeten of hartslag gecontroleerd.(…).

De volgende ochtend (donderdag 26 juni) heb ik tot dat ik ontslagen wederom geen arts gezien of gesproken.

De week erna op woensdag 2 juli ben ik bij u op controle geweest en heeft u de pleisters verwijderd. Toen was duidelijk zichtbaar dat de gehele linker tepel zwart was. Met een potje litteken crème heeft u me heen gezonden en stond ik binnen

5 minuten weer buiten.

Na het verwijderen van de pleister begon het gebied onder de tepel ontstekingstekenen te vertonen en bleef er bloed en wondvocht uit de tepel komen.

Op maandag 7 juli heb ik met het medisch centrum gebeld omdat ik me zorgen maakte om de ontsteking en heeft een verpleegkundige met u overleg gepleegd.

U vond het niet noodzakelijk antibiotica voor te schrijven en mijn lichaam moest zelf het werk verrichten.

Gisteravond (vrijdag 11 juli) ben ik ongerust weer naar het medisch centrum geweest en heb daar gesproken met dr. H.. Deze gaf aan dat de tepel er inderdaad niet uitziet zoals het zo moeten maar dat E. mij zal helpen om een “acceptabel” resultaat te krijgen.

Na 7 jaar wikken en wegen en geld sparen heb ik uiteindelijk besloten om deze ingreep te laten doen, in zeer zeldzame gevallen zou er tepelnecrose kunnen optreden. Dit zou volgens de literatuur onder ander te wijten kunnen zijn aan een vasculaire afwijking, of andere zaken. Maar in mijn geval ben ik een zeer gezonde vrouw, die niet rookt, 3x in de week sport en goed voor zichzelf zorgt.

Na jarenlange psychische problemen te hebben gehad met mijn hangborsten ben ik nu terecht gekomen in een situatie van een verminkte borst.(…)”

Nadien hebben nog verschillende consulten plaatsgevonden bij collega’s van verweerder, de huisarts van klaagster en een plastische chirurg van I.

Op 23 juli 2014 heeft een collega van verweerder, voor zover relevant, in het medisch dossier genoteerd:

“O/ Volledige necrose van tepel en tepelhofcenraal droge necrose, op 3-9 uur,  open rode wond, op 11 uur ook enigszins, pus o, korst centraal nog vast.”

Op 23 juli 2014 is het medisch dossier aan klaagster meegegeven.

Op 27 augustus 2014 werd door E. gereageerd op de brief van klaagster van 12 juli 2014.

Op 9 september 2014 heeft klaagster een brief gestuurd aan de directie van E., waarin zij een aantal vragen heeft gesteld. Vraag 10 en 11 luidden:

“10. Tijdens de intake met [naam verweerder, RTC] heb ik gevraagd naar de verplaatsing van de tepels, hoe dit in zijn werk ging. Er is mij toen niet verteld dat er kans was op tepelnecrose, waarom niet ?

11. In de documentatie over de borstlift/verkleining die ik toegestuurd heb gekregen voor de operatie staan de eventuele complicaties vermeld, waarom staat hier geen tepelnecrose bij ? Er wordt alleen gesproken over eventuele problemen bij het geven van borstvoeding.”

Op 25 september 2014 heeft E., voor zover relevant, als volgt gereageerd:

“Complicaties worden in zijn algemeenheid besproken indien zij meer dan 1% voorkomen. Tepelnecrose komt zelden tot nooit voor in ieder geval ligt de incidentie onder de 1%. Om deze reden wordt het niet specifiek genoemd.”

 

Op 8 oktober 2014 heeft een consult plaatsgevonden bij verweerder. Naar aanleiding daarvan noteerde verweerder in het dossier:

“Verwijt de verpleegkundige(n) mn J.

dat er direct na de operatie niet adequaat is gereageerd op mogelijke verkleuring v/d tepelhof li. Verder tevreden over grootte en vorm v/d borsten / C/D-cup

-> Reconstructie aangeboden

Wil dit vooralsnog niet

Liever compensatie”.

In het medisch dossier is genoteerd dat op 8 oktober 2014 een kopie van de voorzijde van de status aan klaagster is meegegeven. Op 17 oktober 2014 is vermeld dat een kopie van het overige deel van het medisch dossier is meegegeven aan klaagster. In het op die datum aan klaagster verstrekte dossier waren de op 25 juni 2014 gemaakte aantekeningen aangevuld met het woord necrose.

            3.         Het standpunt van klaagster en de klacht

Klaagster verwijt verweerder -zakelijk weergegeven-:

1.dat hij onvoldoende informatie aan klaagster heeft gegeven voorafgaande aan de operatie. Het risico op tepelnecrose is niet aan klaagster verteld;

2.onzorgvuldige medische verslaglegging/valsheid in geschrifte, omdat verweerder het risico van necrose achteraf, nadat klaagster haar klachten en onvrede had geuit, alsnog in het medisch dossier heeft opgetekend;

3.onzorgvuldige medische verslaglegging, omdat het operatieverslag ontbreekt;

4.een onzorgvuldige overdracht;

5.onvoldoende nazorg, regie en follow-up.

4.    Het standpunt van verweerder

Verweerder voert -zakelijk weergegeven- aan dat hem geen tuchtrechtelijk verwijt treft. Hij stelt dat hij klaagster vooraf heeft geïnformeerd over het risico op necrose. Hij heeft het woord necrose later aan het medisch dossier toegevoegd omdat dit expliciet met klaagster was besproken. Verder stelt verweerder dat er wel een operatieverslag aanwezig is, dat hij klaagster heeft gezien voor de eerste nacontrole en dat hij ook overigens heeft gehandeld binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. Voor zover nodig zal het college in de overwegingen nader ingaan op het verweer.

5.    De overwegingen van het college

5.1       Het college wijst er allereerst op, dat het bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen er niet om gaat of dat handelen beter had gekund, maar om het geven van een antwoord op de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening, rekening houdend met de stand van de wetenschap ten tijde van het klachtwaardig geachte handelen en met hetgeen toen in de beroepsgroep ter zake als norm of standaard was aanvaard.

5.2       Naar aanleiding van het eerste klachtonderdeel overweegt het college het volgende. In de Richtlijn mammareductie van de Nederlandse Vereniging voor Plastische Chirurgie van maart 2009 is vermeld dat preoperatief ten minste de volgende complicaties met de patiënt besproken moeten worden: infectie, wonddehiscentie, hematomen, vetnecrose, (partiële) tepelnecrose, sensibiliteitsveranderingen, littekenvorming, asymmetrie en mogelijke dogears. Klaagster stelt dat verweerder haar noch op 12 juni 2014, noch op 25 juni 2014 heeft gewezen op het risico van necrose. Ook in de toegestuurde informatiefolder en op het door klaagster op 25 juni 2014 ondertekende toestemmingsformulier staat dit risico niet vermeld. Verweerder stelt dat hij klaagster op 25 juni 2014, voorafgaand aan de operatie, uitgebreid heeft voorgelicht en haar heeft geïnformeerd over het risico op necrose.

Vaststaat dat in het informatieformulier en het toestemmingsformulier niet is gewaarschuwd voor necrose. Naar het oordeel van het college is bovendien niet komen vast te staan dat verweerder klaagster vooraf mondeling heeft geïnformeerd over het risico op necrose. In het op 23 juli 2014 aan klaagster meegegeven dossier staat onder het kopje “Risico’s” wel litteken en asymmetrie, maar geen necrose vermeld. Dat verweerder het risico desalniettemin wel zou hebben besproken is niet aannemelijk gemaakt. Ter zitting heeft verweerder verklaard dat hij het woord necrose op 8 oktober 2014, toen hij het dossier bestudeerde als voorbereiding op het gesprek dat die dag met klaagster zou plaatsvinden, heeft toegevoegd omdat hij zeker wist dat hij het risico daarop had besproken. Op de vraag hoe hij drieënhalve maand na de operatie nog zeker kon weten dat hij het risico van necrose met klaagster had besproken, heeft verweerder geen afdoende antwoord gegeven. Gelet hierop moet er naar het oordeel van het college vanuit worden gegaan dat verweerder het risico op necrose niet voorafgaand aan de operatie aan klaagster heeft verteld. Dit klachtonderdeel is daarom gegrond.

5.3      Naar aanleiding van de klacht dat verweerder zich schuldig heeft gemaakt aan een onzorgvuldige medische verslaglegging/valsheid in geschrifte, omdat verweerder het risico van necrose achteraf, nadat klaagster haar klachten en onvrede had geuit, alsnog in het medisch dossier heeft opgetekend, overweegt het college het volgende.

Vaststaat dat verweerder het dossier van klaagster heeft aangevuld, zonder transparant te zijn over de aanleiding en de datum van deze aanvulling. In het dossier heeft hij niet vermeld dat de aanvulling is gedaan op 8 oktober 2014 en ook in het op die datum gevoerde gesprek met klaagster heeft hij dat niet gezegd. Over het moment en de aanleiding van het alsnog vermelden van het woord necrose heeft verweerder gedurende de procedure wisselende verklaringen afgelegd, die naar het oordeel van het college niet geloofwaardig zijn. In het verweerschrift is namens verweerder aangegeven dat verweerder in het kader van een reguliere statuscontrole het woord necrose aan het dossier heeft toegevoegd als nadere specificatie van litteken, omdat dit expliciet met klaagster was besproken. Niet duidelijk is geworden wat moet worden verstaan onder een reguliere statuscontrole en waarom deze ruim een maand na de operatie zou worden uitgevoerd. Evenmin heeft verweerder kunnen uitleggen waarom necrose zou zijn op te vatten als een specificatie van litteken. Ter zitting heeft verweerder zijn verklaring gewijzigd. De verklaring dat hij het woord necrose heeft toegevoegd omdat hij bij de bestudering van het dossier zag dat hij dat niet had opgeschreven, terwijl hij wel zeker wist dat het besproken was, acht het college niet plausibel. In dat verband acht het college van belang dat klaagster op 12 juli 2014 een brief aan verweerder heeft geschreven waarin zij melding maakt van tepelnecrose en dat zij op 9 september 2014 een brief heeft geschreven aan de directie van E., waarin zij vraagt waarom zij door verweerder niet is gewaarschuwd voor de kans op tepelnecrose. Verweerder stelt dat hij deze brieven niet kent. Nu deze brieven echter deel uitmaken van het medisch dossier zoals dat namens verweerder is overgelegd, is dit ongeloofwaardig. Door bekendheid met de brieven te ontkennen, terwijl deze aantoonbaar in het bezit van verweerder waren, en door het zonder datumvermelding aanvullen van het dossier met het woord necrose, heeft verweerder de verdenking op zich geladen de informatie in het dossier in zijn voordeel te hebben willen aanpassen, om zodoende alsnog te kunnen aantonen dat hij voorafgaand aan de operatie heeft gewaarschuwd voor het risico op necrose. Hierdoor heeft verweerder afbreuk gedaan aan het vertrouwen dat patiënten in de volledige en waarheidsgetrouwe weergave van de gang van zaken in het dossier moeten kunnen hebben. De handelwijze van verweerder is overigens hoe dan ook in strijd met de plicht het medisch dossier zorgvuldig bij te houden. Het college verwijst in dit verband onder meer naar de uitspraak van het Centraal Tuchtcollege (ECLI:NL:TGZCTG:2015:340), waarin dat college heeft overwogen dat een zorgvuldig bijgehouden en betrouwbaar medisch dossier van cruciaal belang is, zowel in het kader van de kwaliteit van de zorgverlening als in situaties waarin een beroepsbeoefenaar, bijvoorbeeld in het kader van een tuchtprocedure, verantwoording voor zijn handelen moet afleggen. Het klachtonderdeel is daarom gegrond.

 

5.4       Naar aanleiding van de klacht over onzorgvuldige medische verslaglegging vanwege het ontbreken van het operatieverslag overweegt het college het volgende. Anders dan klaagster aanneemt is er wel een operatieverslag in het medisch dossier opgenomen. Het is een summier verslag, waarin echter de relevante informatie over de operatie zelf wel is opgenomen. Zo is vermeld dat de operatie in rugligging en onder algehele anesthesie is uitgevoerd, welke methode van borstreductie is toegepast en welk hechtmateriaal is gebruikt. Desondanks is het college van oordeel dat het operatieverslag niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen. Ter zitting heeft verweerder gesteld dat na de operatie sprake was van enige stuwing en dat er een kleurverschil was tussen de linker-en de rechtertepel. In verband daarmee heeft hij, toen klaagster nog onder narcose was, twee testen gedaan – de zogenaamde capillary-refilltest en de turgortest – om te beoordelen of er voldoende doorbloedingsverschijnselen in de tepel waren. Dit was naar zijn inschatting het geval. Noch de stuwing, noch het kleurverschil, noch de testen zijn vermeld in het operatieverslag. Daardoor is hetgeen verweerder hieromtrent stelt niet controleerbaar aan de hand van het verslag. Nu de informatie bovendien relevant was voor de nazorg die door de verpleegkundigen moest worden geboden, brengt een redelijk bekwame beroepsuitoefening mee dat deze informatie in het operatieverslag wordt vermeld. Verweerders stelling dat alleen een afwijking (op basis van de testen) moet worden genoteerd snijdt geen hout. Daarmee heeft verweerder overigens ook laten blijken geen juist beeld te hebben van de functie en het doel van het noteren van gegevens in het medisch dossier. Gelet hierop is dit klachtonderdeel gegrond.

5.5       De klachtonderdelen vier en vijf, waarin klaagster verweerder verwijt dat er sprake is geweest van een onzorgvuldige overdracht en van onvoldoende en inadequate nazorg, regie en follow-up, zal het college in onderlinge samenhang beschouwen.

Gelet op hetgeen is vermeld onder 5.4 kan niet worden vastgesteld dat na de operatie een (zorgvuldige) overdracht naar het verpleegkundig personeel heeft plaatsgevonden. In het dossier is de voor het verpleegkundig personeel relevante informatie in ieder geval niet vermeld, hetgeen voor een zorgvuldige overdracht wel vereist is. Dat, zoals verweerder ter zitting heeft aangegeven, sprake is van uitstekende verpleegkundigen die verantwoordelijk zijn voor de nazorg ontslaat verweerder niet van zijn verantwoordelijkheid om zorg te dragen voor een volledige overdracht.

Verder staat vast dat verweerder klaagster na de operatie en voorafgaand aan haar ontslag niet meer heeft gezien. Daarmee heeft verweerder in strijd gehandeld met de volgens de Leidraad NVPC (versie 5 april 2013) geldende ontslagprocedure, waarin is voorgeschreven dat de medisch specialist de cliënt voor het ontslag moet zien en toestemming moet geven voor het ontslag. Verder heeft verweerder naar het oordeel van het college niet juist gehandeld toen klaagster op 2 juli 2014 bij hem op controle kwam. Op dat moment was de linkertepel volgens de aantekeningen van verweerder in het medisch dossier iets blauw. Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat hij op basis van dat beeld heeft besloten tot een conservatief expectatief beleid. Hoewel dat op zichzelf een gerechtvaardigde keuze kan zijn geweest, had het wel op de weg van verweerder gelegen het verdere beloop in de gaten te houden. Daarbij past niet dat een controleafspraak wordt gemaakt op een termijn van drie maanden, zoals is gebeurd. Bovendien had verweerder aan klaagster instructies mee dienen te geven voor het geval het beeld zou wijzigen. Niet is gebleken dat dat is gebeurd. Naar aanleiding van de zorgen die klaagster telefonisch heeft geuit op 7 juli 2014 over de ontsteking van de linkertepel, had verweerder – mede gelet op de eerder geconstateerde verkleuring – klaagster voor een extra controle moeten oproepen, zodat hij zichzelf een beeld had kunnen vormen van de ontstane situatie. Gelet op het vorenstaande is het college van oordeel dat verweerder is tekortgeschoten in de overdracht, de nazorg en de follow-up, zodat ook deze klachtonderdelen gegrond zijn.

5.6       Het college overweegt ten aanzien van de op te leggen maatregel als volgt. Het college rekent verweerder zwaar aan dat hij het dossier van klaagster heeft aangevuld zonder daarover transparant te zijn. Hij heeft daardoor niet alleen het vertrouwen van klaagster geschaad, maar ook het vertrouwen dat patiënten in het algemeen moeten kunnen hebben in een volledige en waarheidsgetrouwe weergave van de gang van zaken in het dossier. Daarmee schaadt hij het vertrouwen van patiënten in de medische beroepsgroep, hetgeen als een ernstige overschrijding van de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening is te kwalificeren. Daarnaast heeft verweerder de informatieplicht geschonden en is sprake van onzorgvuldige medische verslaglegging en een onzorgvuldige overdracht, hetgeen de kwaliteit van de continuïteit van de zorg aan patiënt raakt. Tot slot is sprake van onvoldoende nazorg en follow-up. Ter zitting heeft verweerder er geen blijk van gegeven in te zien dat hij in meerdere opzichten in de zorgverlening ten opzichte van klaagster is tekortgeschoten. Alles bij elkaar genomen acht het college de maatregel van een voorwaardelijke schorsing van drie maanden met een proeftijd van een jaar op zijn plaats. Daarbij heeft het college in overweging genomen dat verweerder weliswaar niet eerder geconfronteerd is geweest met een gegrond tuchtrechtelijk verwijt, maar dat de vastgestelde tekortkomingen van dien aard zijn dat het college een lichtere maatregel niet passend acht.

Het college ziet redenen aan het algemeen belang ontleend tot publicatie van deze beslissing.”

3.        Vaststaande feiten en omstandigheden

Voor de beoordeling van het beroep gaat het Centraal Tuchtcollege uit van de feiten en omstandigheden zoals weergegeven in de beslissing in eerste aanleg, welke weergave in beroep niet, althans onvoldoende, is bestreden.

4.        Beoordeling van het beroep

4.1       De oorspronkelijke klacht bestond uit vijf klachtonderdelen. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht in zijn geheel gegrond verklaard en aan de chirurg de maatregel van voorwaardelijke schorsing voor de duur van drie maanden opgelegd. De chirurg is onder aanvoering van vijf grieven in beroep gekomen van de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege. Hetgeen hij daarbij heeft aangevoerd behelst een nadere toelichting op alle vijf klachtonderdelen. De chirurg heeft geconcludeerd tot ongegrondverklaring van de klacht althans tot, bij gedeeltelijke gegrondverklaring, oplegging van een lichtere maatregel.

4.2       Klaagster heeft in beroep verweer gevoerd en geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

4.3       Met het beroep van de chirurg ligt de klacht in volle omvang ter beoordeling aan het Centraal Tuchtcollege voor.

4.4       De standpunten van partijen over de vraag of  de chirurg klaagster voorafgaand aan de operatie op 25 juni 2014 op het risico van tepelnecrose heeft gewezen, staan ook in beroep haaks op elkaar. Vast staat dat de chirurg ten tijde van de consulten op 12 en 25 juni 2014 niet in het dossier heeft vermeld dat hij het risico op (tepel)necrose heeft genoemd (terwijl hij wel verschillende andere risico’s heeft genoteerd). Bij deze stand van zaken is het dan aan de chirurg om aannemelijk te maken dat hij klaagster over dit specifieke risico heeft geïnformeerd. De chirurg is daar niet in geslaagd. Zijn verklaring dat hij dit in alle gevallen gewoon is te doen, is daarvoor niet voldoende.

De chirurg stelt in beroep dat er, gelet op de brief van klaagster van 12 juli 2014, reden is aan te nemen dat klaagster, los van eventuele door hem gegeven voorlichting, voorafgaand aan de operatie bekend was met het risico van tepelnecrose. Daargelaten dat klaagster ter terechtzitting in beroep heeft verklaard dat zij eerst ter gelegenheid van het consult op 11 juli 2014 bij een collega van de chirurg, hierna: H., is geïnformeerd over bij haar opgetreden tepelnecrose acht het Centraal Tuchtcollege het in beginsel ook niet relevant of klaagster langs andere weg op de hoogte was van het risico op tepelnecrose. Het lag op de weg van de chirurg om haar voorafgaand aan de operatie over dit risico te informeren. Nu de chirurg niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij dit heeft gedaan is het eerste klachtonderdeel terecht gegrond bevonden.

4.5       Met betrekking tot het tweede klachtonderdeel erkent de chirurg dat hij het risico van necrose achteraf  -voorafgaand aan het consult op 8 oktober 2014- alsnog in het medisch dossier heeft genoteerd. Hij stelt dat hij daarbij de beste bedoelingen had en puttend uit zijn geheugen het dossier heeft willen completeren. Hij acht het onjuist dat er op dit punt aan zijn goede trouw wordt getwijfeld. Het Centraal Tuchtcollege acht de intentie waarmee de chirurg heeft gehandeld voor de beoordeling niet relevant. Een medisch dossier achteraf aanvullen of wijzigen zonder daarover transparant te zijn is eenvoudigweg ontoelaatbaar en daarvan kan de chirurg een ernstig tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt, en het gedrag op dit punt is ontoelaatbaar. Met zijn handelen heeft de chirurg niet alleen het vertrouwen van klaagster geschaad, die al over het medisch dossier zonder de aanvulling “necrose” beschikte, maar ook het vertrouwen dat patiënten in het algemeen moeten kunnen hebben in een volledige en waarheidsgetrouwe weergave van de gang van zaken in het medisch dossier. Ook dit onderdeel is door het Regionaal Tuchtcollege terecht gegrond verklaard.

4.6       Ook voor wat betreft het klachtonderdeel dat betrekking heeft op de medische verslaglegging volgt het Centraal Tuchtcollege het college in eerste aanleg in het oordeel dat dit onderdeel gegrond is. Het operatieverslag beoordeelt het Centraal Tuchtcollege als te summier nu daarin de voor het vervolgbeleid benodigde beoordeling van de circulatie in het tepelhofcomplex aan het eind van de operatie ontbreekt.

4.7       De klachtonderdelen die betrekking hebben op de overdracht, nazorg, regie en follow-up acht het Centraal Tuchtcollege eveneens gegrond. Het overweegt daartoe als volgt.

Artikel 4.8 lid b van de Leidraad plastische chirurgie en esthetische behandelingen in particuliere klinieken van de NVPC van 5 april 2013 luidt, voor zover hier van belang: “De medisch specialist moet de cliënt zien voor het ontslag en toestemming geven voor het ontslag.”. Klaagster is na de operatie en voorafgaand aan het ontslag uit het ziekenhuis niet gezien door de chirurg (noch door een andere arts) en de chirurg heeft daarmee in strijd met voornoemde leidraad gehandeld.

Ter gelegenheid van het consult op 2 juli 2014 heeft de chirurg in het medisch dossier genoteerd dat de linkertepel “iets blauw” was. De chirurg heeft destijds en overigens ook ter terechtzitting in beroep geen (andere) oorzaak van de donkerder gekleurde linker tepel kunnen benoemen en had derhalve alert moeten zijn op tepelhofcomplex necrose. Op 11 juli 2014 is door H. inderdaad tepelhofcomplex necrose links geconstateerd en in het medisch dossier genoteerd. Deze gang van zaken laat geen ruimte voor een andere conclusie dan dat op 2 juli 2014 reeds sprake moet zijn geweest van een beginnende tepelhofcomplex necrose links en dat de chirurg dit, hoewel de aanwijzingen hiervoor door hem wel zijn gezien en in het dossier genoteerd, niet heeft onderkend. Gelet op genoemde aanwijzingen had de chirurg op korte termijn, en niet over 3 maanden,  een controleafspraak moeten maken met klaagster. Dat hij dit heeft nagelaten valt hem tuchtrechtelijk te verwijten.

4.8       Het Centraal Tuchtcollege volgt het Regionaal Tuchtcollege in het oordeel dat de klacht in al haar onderdelen gegrond is. Ook voor wat betreft de op te leggen maatregel neemt het Centraal Tuchtcollege over hetgeen onder 5.6 in de beslissing in eerste aanleg over de verschillende klachtonderdelen is overwogen. Anders dan het Regionaal Tuchtcollege is het Centraal Tuchtcollege echter van oordeel dat de chirurg er, in ieder geval in beroep, blijk van heeft gegeven in te zien dat hij in de zorgverlening ten opzichte van klaagster is tekortgeschoten. Mede naar aanleiding van deze casus zijn kliniekbreed de patiëntendossiers gedigitaliseerd en ook zijn de instructies aan de verpleegkundigen aangepast en/of aangescherpt. Tenslotte wordt in de kliniek de Leidraad van de NVPC thans wel gevolgd doordat patiënten voorafgaand aan het ontslag door een arts moeten worden gezien en niet zonder diens toestemming ontslagen mogen worden. Het Centraal Tuchtcollege neemt voorts in aanmerking dat de chirurg, in zijn jarenlange praktijkvoering, niet eerder met een  tuchtrechtelijk verwijt is geconfronteerd.

4.9       Alles afwegend en gelet op de ernst van de tekortkomingen acht het Centraal Tuchtcollege evenals het Regionaal Tuchtcollege een voorwaardelijke schorsing van de inschrijving in het register aangewezen. De hiervoor onder 4.8 genoemde omstandigheden geven het Centraal Tuchtcollege echter aanleiding de duur van de voorwaardelijke schorsing terug te brengen tot zes weken. De beslissing van het Regionaal Tuchtcollege zal op dit punt worden vernietigd. Voor het overige wordt het beroep van de chirurg verworpen.

4.10     Om redenen aan het algemeen belang ontleendgelast het Centraal Tuchtcollege de publicatie van deze uitspraak.

5.        Beslissing

Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

vernietigt de beslissing waarvan beroep doch uitsluitend voor zover het de opgelegde maatregel betreft;

opnieuw rechtdoende:

legt aan de chirurg de maatregel op van schorsing van zijn inschrijving in het register voor de duur van zes weken en bepaalt dat deze schorsing niet ten uitvoer zal worden gelegd dan nadat het Centraal Tuchtcollege zulks heeft gelast op grond van het feit dat hij, de chirurg, binnen de proeftijd die hierbij wordt bepaald op één jaar, zich heeft schuldig gemaakt aan enig handelen of nalaten dat in strijd is met de goede zorg die hij als chirurg behoort te betrachten dan wel in strijd is met het belang van de individuele gezondheidszorg;

bepaalt dat de proeftijd ingaat op de dag van deze uitspraak en dat de proeftijd uitsluitend loopt gedurende de periode(n) dat de chirurg is ingeschreven in het BIG-register;

bepaalt dat indien de chirurg de voorwaarde niet naleeft, het Centraal Tuchtcollege alsnog de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de hiervoor opgelegde maatregel kan gelasten;

verwerpt het beroep voor het overige;

bepaalt dat deze beslissing op de voet van artikel 71 Wet BIG zal worden bekendgemaakt in de Nederlandse Staatscourant, en zal worden aan­geboden aan het Tijdschrift voor Gezondheidsrecht, Gezondheidszorg Jurisprudentie en Medisch Contact met het verzoek tot plaatsing.

Deze beslissing is gegeven door:
mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, mr. W.P.C.M. Bruinsma en mr. J.P. Fokker, leden-juristen en drs. R.E.F. Huijgen en dr. R.T. Ottow, leden-beroepsgenoten en mr. M.D. Barendrecht-Deelen, secretaris, en uitgesproken ter openbare zitting van 24 januari 2017. Voorzitter  w.g.          Secretaris  w.g.

 

 

Nossbaum, Stephan Evert

Stephan Nossbaum

Update 3 juli 2018

De zorgverlener is momenteel niet geregistreerd voor het  beroep als arts.

De zorgverlener is momenteel niet geregistreerd voor het  beroep als gz-psycholoog

definitief het recht ontzegd tot wederinschrijving in het BIG-register als arts en als gz-psycholoog wegens grensoverschrijdend gedrag

Naam
Nossbaum, Stephan Evert
Geslacht
Man
BIG-nummer
49043843701
Beroepsgroep
Artsen
BIG-nummer
19043843725
Beroepsgroep
Gz-psychologen

De inschrijving in het register van artsen is per 28 januari 2015 voorwaardelijk geschorst voor de duur van één jaar met een proeftijd van twee jaar. De proeftijd is ingegaan op 28 januari 2015 en loopt tot en met 27 januari 2017. De zorgverlener moet aan de volgende voorwaarden voldoen: zich niet schuldig maken aan enig handelen of nalaten als arts dat in strijd is met de goede zorg die hij als arts behoort te betrachten dan wel in strijd is met het belang van de individuele gezondheidszorg. De maatregel is opgelegd vanwege: grensoverschrijdend gedrag.

De inschrijving in het register van artsen is per 13 november 2012 voorwaardelijk geschorst voor de duur van zes maanden met een proeftijd van twee jaren. De proeftijd is ingegaan op 13 november 2012 en loopt tot en met 12 november 2014. De zorgverlener moet aan de volgende voorwaarden voldoen: hij mag zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maken aan enig handelen of nalaten dat in strijd is met de goede zorg die hij als arts behoort te betrachten dan wel in strijd is met het belang van de individuele gezondheidszorg. De maatregel is opgelegd vanwege: grensoverschrijdend gedrag/schending van het beroepsgeheim.

De inschrijving in het register van artsen is per 24 juni 2015 geschorst voor de duur van zes maanden tot en met 23 december 2015. De maatregel is opgelegd vanwege: Geen of onvoldoende zorgverlening, grensoverschrijdend gedrag, onjuiste declaratie(s), afgifte van een onjuiste verklaring of rapport en onvolledige dossiervorming.

Bij de voormalige inschrijving in het register van artsen is per 3 juli 2018 aangetekend dat deze zorgverlener het recht is ontzegd om zich opnieuw in te schrijven in het BIG register. De maatregel is opgelegd vanwege grensoverschrijdend gedrag.
BIG-nummer
19043843725

De zorgverlener is momenteel niet geregistreerd voor dit beroep.
Beroep
Gezondheidszorgpsycholoog
Maatregel
De inschrijving in het register van Gz-psychologen is per 13 november 2012 voorwaardelijk geschorst voor de duur van zes maanden met een proeftijd van twee jaren. De proeftijd is ingegaan per 13 november 2012 en loopt tot en met 12 november 2014. De zorgverlener moet aan de volgende voorwaarden voldoen: hij mag zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maken aan enig handelen of nalaten dat in strijd is met de goede zorg die hij als GZ-psycholoog behoort te betrachten dan wel in strijd is met het belang van de individuele gezondheidszorg. De maatregel is opgelegd vanwege: grensoverschrijdend gedrag/schending van het beroepsgeheim.

De inschrijving in het register van Gz-psychologen is per 24 juni 2015 geschorst voor de duur van zes maanden tot en met 23 december 2015. De maatregel is opgelegd vanwege: geen of onvoldoende zorgverlening, grensoverschrijdend gedrag, onjuiste declaratie(s), afgifte van een onjuiste verklaring of rapport en onvolledige dossiervorming.

Bij de voormalige inschrijving in het register van Gz-psychologen is per 3 juli 2018 aangetekend dat deze zorgverlener het recht is ontzegd om zich opnieuw in te schrijven in het BIG register. De maatregel is opgelegd vanwege grensoverschrijdend gedrag.

23 juni 2017

—————–
Aantekening
De inschrijving in het register van artsen is per 24 juni 2015 geschorst voor de duur van zes maanden tot en met 23 december 2015. De maatregel is opgelegd vanwege: Geen of onvoldoende zorgverlening, grensoverschrijdend gedrag, onjuiste declaratie(s), afgifte van een onjuiste verklaring of rapport en onvolledige dossiervorming.
Aantekening
De inschrijving in het register van artsen is per 13 november 2012 voorwaardelijk geschorst voor de duur van zes maanden met een proeftijd van twee jaren. De proeftijd is ingegaan op 13 november 2012 en loopt tot en met 12 november 2014. De zorgverlener moet aan de volgende voorwaarden voldoen: hij mag zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maken aan enig handelen of nalaten dat in strijd is met de goede zorg die hij als arts behoort te betrachten dan wel in strijd is met het belang van de individuele gezondheidszorg. De maatregel is opgelegd vanwege: grensoverschrijdend gedrag/schending van het beroepsgeheim.
Aantekening *zie uitspraak tuchtcollege hieronder
De inschrijving in het register van artsen is per 23 mei 2017 bij wijze van voorlopige voorziening geschorst. De maatregel blijft van kracht totdat de beslissing tot doorhaling van de inschrijving onherroepelijk is geworden of in hoger beroep is vernietigd. De maatregel is opgelegd vanwege: grensoverschrijdend gedrag.
Aantekening
De inschrijving in het register van artsen is per 28 januari 2015 voorwaardelijk geschorst voor de duur van één jaar met een proeftijd van twee jaar. De proeftijd is ingegaan op 28 januari 2015 en loopt tot en met 27 januari 2017. De zorgverlener moet aan de volgende voorwaarden voldoen: zich niet schuldig maken aan enig handelen of nalaten als arts dat in strijd is met de goede zorg die hij als arts behoort te betrachten dan wel in strijd is met het belang van de individuele gezondheidszorg. De maatregel is opgelegd vanwege: grensoverschrijdend gedrag.
Aantekening* zie uitspraak tuchtcollege hieronder
De inschrijving in het register van GZ-psychologen is per 23 mei 2017 bij wijze van voorlopige voorziening geschorst. De maatregel blijft van kracht totdat de beslissing tot doorhaling van de inschrijving onherroepelijk is geworden of in hoger beroep is vernietigd. De maatregel is opgelegd vanwege: grensoverschrijdend gedrag.
Aantekening
De inschrijving in het register van Gz-psychologen is per 13 november 2012 voorwaardelijk geschorst voor de duur van zes maanden met een proeftijd van twee jaren. De proeftijd is ingegaan per 13 november 2012 en loopt tot en met 12 november 2014. De zorgverlener moet aan de volgende voorwaarden voldoen: hij mag zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maken aan enig handelen of nalaten dat in strijd is met de goede zorg die hij als GZ-psycholoog behoort te betrachten dan wel in strijd is met het belang van de individuele gezondheidszorg. De maatregel is opgelegd vanwege: grensoverschrijdend gedrag/schending van het beroepsgeheim.
Aantekening
De inschrijving in het register van Gz-psychologen is per 24 juni 2015 geschorst voor de duur van zes maanden tot en met 23 december 2015. De maatregel is opgelegd vanwege: geen of onvoldoende zorgverlening, grensoverschrijdend gedrag, onjuiste declaratie(s), afgifte van een onjuiste verklaring of rapport en onvolledige dossiervorming.


http://tuchtrecht.overheid.nl/nieuw/gezondheidszorg/uitspraak/2017/ECLI_NL_TGZRAMS_2017_61

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG

AMSTERDAM

Het college heeft het volgende overwogen en beslist omtrent de op 14 juni 2016 binnengekomen klacht van:

De INSPECTIE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG,

gevestigd te Utrecht,

k l a a g s t e r,

hierna ook wel: IGZ,

namens deze drs. F.C.J. Neefjes, dr. P.J. Zwietering en mr. drs. J.P. Jansen

tegen

Z,

arts en gezondheidszorgpsycholoog,

wonende te B,

v e r w e e r d e r,

gemachtigde mr. A.C.H. Jansen, advocaat te Wijchen.

1. Het verloop van de procedure

Het college heeft kennisgenomen van:

–                     het klaagschrift met de bijlagen d.d. 10 juni 2016;

–                     het aanvullend klaagschrift met de bijlagen d.d. 14 juni 2016;

–                     het verweerschrift met producties;

–                     de brieven van de raadsman van verweerder;

–                     de correspondentie betreffende het vooronderzoek;

–                     de beslissing inzake het wrakingsverzoek zijdens verweerder.

Partijen hebben geen gebruik gemaakt van de hun geboden mogelijkheid in het kader van het vooronderzoek mondeling te worden gehoord.

Verweerder heeft een wrakingsverzoek tegen de voorzitter van het college ingediend, dat bij beslissing van 14 maart 2017 is afgewezen.

De klachten zijn, na eerdere aanhouding van de behandeling in verband met ziekte van verweerder, ter openbare terechtzitting van 7 april 2017 behandeld. Verweerder was afwezig.

Klaagster werd vertegenwoordigd door drs. Neefjes,dr. P.J. Zwietering enmr. drs. Jansen  en verweerder door zijn gemachtigde mr. Jansen voornoemd. Aan de hand van pleitnota’s is een toelichting gegeven die aan het college en de wederpartij zijn overgelegd.

Op verzoek van verweerder is als getuige verschenen de heer C.

2. De feiten

Op grond van de stukken en hetgeen ter terechtzitting heeft plaatsgevonden kan, voor zover van belang, van het volgende worden uitgegaan:

2.1       Verweerder is werkzaam geweest als arts en GZ-psycholoog. Op het visitekaartje en receptenpapier dat verweerder gebruikt staat vermeld: “Cranio-Maxillo-Faciaal Arts/pijnspecialist, Drs Tandheelkunde D, GZ-Psycholoog BIG/NIP Psychoanalyticus i.o.” Verweerder was tot april 2014 eigenaar van E, een centrum voor bijzondere tandheelkunde. Ook was verweerder van 29 oktober 2010 tot 26 april 2013 de secretaris van het bestuur van de Stichting F, ook wel bekend onder de naam: de stichting F. Aan die stichting was mevrouw S.V. betrokken, met wie verweerder in onmin is geraakt.

Verweerder houdt zich verder bezig met het in kaart brengen van de effecten en problematiek van permanente fillers, waaronder G, het schrijven van artikelen daarover en onderzoek daarnaar.

Begin 2012 is verweerder een aantal weken in dienst geweest bij H, een praktijk voor tandheelkunde, in de functie van medisch en tandheelkundig manager. Verweerder maakte op persoonlijke titel gebruik van de faciliteiten van H.

2.2       Door F werden patiënten, eerder door anderen behandeld met permanente fillers, verwezen naar verweerder.

2.3       Mevrouw A.S heeft op 20 februari 2014 een melding gedaan bij IGZ over het handelen van verweerder. In 2004 is bij A.S in het gezicht G gespoten, waarvan zij klachten ondervond. Zij is in de periode 2011-2012 door verweerder behandeld. Verweerder zou volgens meldster de fillers verwijderen. Tijdens het eerste consult op 10 mei 2011 heeft verweerder aan A.S Venlafaxine en Xanax voorgeschreven. A.S heeft de medicatie niet opgehaald omdat zij vond dat zij niet depressief was. Op 3 augustus 2011 is een MRI-scan van het gezicht van A.S gemaakt. Tijdens een telefoongesprek op 14 augustus 2011 heeft verweerder volgens A.S verteld dat de uitslag van de MRI levensbedreigend is en dat de filler al in de lymfe zat. In februari 2012 heeft verweerder contact opgenomen met A.S. Hij zei dat hij de G met een zoutoplossing kon weghalen. Op 24 maart 2012 vond een consult met verweerder plaats bij H. A.S werd tijdens de consulten bij verweerder vergezeld door haar vriendin S.

2.4       Verweerder heeft op 21 februari 2015 telefonisch contact met mevrouw A.S opgenomen vanwege een brief met vragen die verweerder van IGZ had gekregen. Verweerder heeft A.S gevraagd te bevestigen dat hij haar nooit antidepressiva had voorgeschreven, omdat zij dat niet wilde. Verweerder heeft vriendin S in februari 2015 een aantal keren opgebeld naar aanleiding van de brief die hij van IGZ had ontvangen. In een e-mail aan S van 22 februari 2015, met het onderwerp smaad en laster jegens [naam verweerder]uw lotgenote A.S. + informed consent staat: “Ik stel u een aantal vragen die u met waar of onwaar kunt beantwoorden (…).”

2.5       Op 17 april 2014 heeft mevrouw A, wonende te I, een melding gedaan bij IGZ. Zij heeft gemeld dat zij een neusoperatie had ondergaan, die niet goed was uitgevoerd. Via de stichting F is A in contact gekomen met verweerder, die een rapport zou opstellen voor haar rechtsbijstandverzekeraar voor het verkrijgen van schadevergoeding. A heeft op 23 april 2010 een eerste consult gehad en daarna hebben meerdere consulten bij verweerder thuis in de woonkamer plaatsgehad. Het laatste contact was op 9 mei 2014.

In haar melding aan IGZ schrijft A dat verweerder haar vertrouwen heeft beschaamd, dat hij haar heeft voorgelogen en eigenlijk heeft opgelicht. Verweerder zou een rapport schrijven met de conclusie dat A foutief geopereerd was en hij zou helpen met het vinden van een plastisch chirurg om een hersteloperatie uit te voeren. Ook zou verweerder A helpen met het verwerken van haar trauma. Verweerder stelde dat de facturen zouden worden vergoed door de zorgverzekeraar. Verweerder heeft bij H een OPG foto van het aangezicht van A gemaakt. Verweerder concludeerde op grond daarvan dat fillers in de neus waren gespoten. A is verwezen naar een ziekenhuis in J voor het maken van een MRI-scan met contrastvloeistof om vast te stellen waar de fillers zich in het gezicht bevonden. In augustus 2012 en november 2012 zijn de scans gemaakt. Verweerder heeft telefonisch meegedeeld dat daaruit bleek dat naast de neus fillers waren geplaatst en dat sprake was van een streptokokkeninfectie. De fillers zouden volgens verweerder de oorzaak zijn van een miskraam en van het voorstadium van baarmoederhalskanker bij A. Verweerder adviseerde A niet zwanger te worden zolang er fillers in haar lichaam zaten. Verweerder heeft A heeft tijdens een consult op 22 juli 2011 meegedeeld dat zij chronisch depressief was en anti-depressiva (Paroxetine 10 mg) voorgeschreven. Verweerder heeft daartoe geen onderzoek bij A gedaan. In het medisch dossier van A is daarover niets door verweerder vermeld. Tijdens het consult op 22 juli 2011 heeft verweerder het gebit van A onderzocht. Hij heeft haar verzocht om foto’s en gegevens van haar gebit. Het medisch dossier vermeldt daarover niets.

2.6       Een brief van radioloog S, naar aanleiding van onderzoek in november 2012 waarbij een MRI van het aangezicht van A is gemaakt, vermeldt dat in de bovenlip en in de onderlip verdenking is op een aantal kleine depotjes van permanente fillers en dat de series aankleuring tonen in het betreffende gebied passend bij een ontstekingsreactie na injectie van permanente fillers in boven- en onderlip.

2.7       Verweerder heeft A twee facturen gestuurd met vermelding van prestatiecode GZ-psychologie ad € 240,- en € 480,- en op 14 juni 2010 twee facturen met vermelding tarief bijzondere Tandheelkunde ad € 1.485,- en € 2.185,- voor consulten in april, mei juni en juli 2010. In het medisch dossier is door verweerder bij 19 april 2012 genoteerd: “Pte lang niet gezien, gaat goed met haar. Financieel nog niet op de rails. Verzoek om met een andere code te declareren. Voor akkoord! (…)”.

2.8       Op 9 mei 2012 heeft verweerder genoteerd: “Pte wil wel zaak tegen [dr. R] heeft C benaderd. Ik ben niet bereid rapportage te maken gezien convenant/informed consent [dr. R] (…) Kan geen uitspraken doen over mevr A”. Verweerder heeft dit niet met A gecommuniceerd. Ondanks diverse rapellen van de rechtsbijstandverzekeraar heeft verweerder geen rapportage over A opgesteld.

2.9       In een e-mail van 16 november 2012 heeft verweerder aan de heer N, senior inspecteur bij IGZ, geschreven:

“Op grond van de CTC beslissing dat ik mij niet onder supervisie hoef te stellen en een schorsing heb van 6 maanden (er staat niet voorwaardelijke) maar wel mag werken heb ik een aantal zaken op een rij gezet. Wij bespraken dat ik niet meer individueel wil werken maar in het pijnteam van Professor V. ga participeren. Reden is mijn enorme kwetsbaarheid als solopraktijk met een zeer moeilijke groep patiënten.

Daarnaast trek ik mij de kritiek aan die het CTC heeft (…) De “grensoverschrijdingen” zullen binnen een multidisciplinair team tot het verleden gaan behoren. Die kritiek van de CTC neem ik ter harte  en ben mij daar bewust van. Ik wil niet meer in spagaten komen en ga daar nauwlettend op toezien. Ook zal ik mijn titelvermelding gaan veranderen zodat daar geen misverstanden meer over kunnen ontstaan.(…) Ik hoop dat ik mijn promotieonderzoek bij permanente filler patiënten met drie nieuwe ziektebeelden kan voortzetten. (…) Mijn speerpunt komt op het wetenschappelijk onderzoek te liggen. Het behandelen van deze patiënten ben ik moe en laat ik aan een jongere generatie”.    

2.10     A heeft verweerder in december 2013 haar grieven gestuurd over zijn handelen. Verweerder heeft A in februari 2014 een e-mail gestuurd waarin hij onder meer schrijft dat zij voor klachten, de gevolgen en de kosten die zij heeft gemaakt bij dr. R in België moet zijn. Voor de vergoeding door de ziektekostenverzekering verzoekt verweerder A om de voorwaarden door te lezen en te informeren bij de verzekeraar. A heeft verweerder op 30 april 2014 een e-mail gestuurd waarin zij hem vraagt zich aan zijn beloften te houden, waaronder het opstellen van een rapport ten behoeve van de rechtsbijstandverzekeraar. Zij schrijft: “Wanneer u uw belofte aan mij dan ook niet vóór 5 mei ingelost hebt, kom ik het door u verschuldigde geldbedrag à €1811,59 persoonlijk bij u ophalen.” Verweerder schrijft A in reactie daarop: “Er is een mutatie bij de politie gemaakt op grond van uw mail. Mocht u mijn privéterrein betreden dan zij zij binnen vijf minuten bij ons.” A heeft verweerder daarop in reactie gemaild: “Ik snap niet dat u zo’n dreigende toon tegen mij aanslaat wanneer ik u naar mijn geld vraag. (…) Het enige wat ik wil is dat u uw belofte nakomt. Het bedrag dat u mij namelijk nog verschuldigd bent is voor mij veel geld wat ik ook niet kan missen. Dat heb ik u tijdens mijn 1e consult dan ook meteen bij aanvang laten weten. Ik heb u toen gezegd dat ik me fiancieel geen psycholoog kon veroorloven en dat ik, mocht ik de kosten van onze consulten niet vergoed krijgen door de ziektekostenverzekering, ik niet verder met u zou gaan. Als antwoord hierop gaf u mij toen aan dat ik mij daarover geen zorgen hoefde te maken. U zou ervoor zorgen dat onze afspraken door de ziektekostenverzekering vergoed zouden worden.”. In reactie daarop heeft verweerder gemaild: “(…) Bij uw volgende mail volgt een aangifte belaging”.

2.11     IGZ heeft onderzoek ingesteld naar de meldingen van A.S en A en heeft haar bevindingen telkens neergelegd in een rapport. De rapporten bevinden zich bij de stukken.

2.12     Verweerder heeft twee eigen websites waarop hij onder meer heeft vermeld: “[naam verweerder] is klokkenluider omtrent wetenschappelijk toetsbare ernstige gevaren voor de gezondheid na het injecteren van permanente (semi-permanente) rimpel vullers (permanent (semi-permanent wrinkle fillers) in het aangezicht.

Minister E. Schippers van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport heeft een volledig dossier. Door de pilotstudy en het eerste PhD artikel van [naam verweerder]  heeft minister Schippers de permanente fillers in 2015 verboden. (…) De IGZ speelt in beide klokkenluiderszaken een cruciale negatieve en strafbare rol. Zie kopje Inspectie voor de Gezondheidszorg. (…) [naam verweerder] kan sinds 2003 geen aangifte doen bij  de politie, het OM te J en zelfs niet bij het college van Procureurs Generaal, van ernstige strafbare misdrijven.  Deze misdrijven worden op deze site met feiten en hard bewijs wetenschappelijk onderbouwd. (…) Door het niet kunnen doen van aangiftenvan ernstig strafbare feiten: een multipel kinderzedendelict, afpersing, chantage,belaging en bedreiging naar het leven zijn Regionale Tucht College (hierna RTC) en Centrale Tucht College (hierna CTC) zaken ontstaan. [naam verweerder] heeft geen medische fouten of foute diagnoses gesteld en is daar ook niet op getoetst. [naam verweerder] heeft getuigen niet laten getuigen of gezwegen om levens niet in gevaar te brengen”.

2.13     Verweerder heeft een artikel geschreven over de fillerproblematiek en heeft die op zijn website gepubliceerd. Daarbij heeft hij gebruik gemaakt van de casus, foto’s en beeldmateriaal van drie patiënten, waaronder mevrouw S. In het artikel heeft verweerder vermeld dat mevrouw S lijdt aan DOLAS-, FOPP, FVECS- en DDRRC-syndroom onder verwijzing naar haar foto en de OPT, waarbij bij aanklikken de naam en geboortedatum van mevrouw S verscheen. Mevrouw S heeft verweerder toestemming gegeven voor het gebruik van foto’s, video’s en geluidopnames.

2.14     Bij beslissing van dit college van 26 september 2006 (05/124GZP)  is aan verweerder de maatregel van berisping opgelegd. Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg (verder: CTG) heeft in het hoger beroep van de beslissing van dit college d.d. 28 juni 2011 tegen verweerder uitgesproken op 30 augustus 2012 (C2011.305) beslist dat aan verweerder in beide hoedanigheden een voorwaardelijke schorsing voor de duur van zes maanden wordt opgelegd. Bij beslissing van dit college van 16 december 2014 (14/126) is aan verweerder als arts een voorwaardelijke schorsing voor de duur van een jaar opgelegd met een proeftijd van twee jaar.

2.15     IGZ heeft het CTG op 7 november 2014 (aangevuld op 29 december 2014) verzocht om tenuitvoerlegging van een eerder aan verweerder (c.2011.305) opgelegde voorwaardelijke maatregel, te weten een schorsing voor de duur van zes maanden. Het verzoek was gegrond op een melding ingediend door mevrouw R.S. Deze patiënte was in 2004 behandeld met permanente fillers en was, via de Stichting F, bij verweerder terecht gekomen. IGZ verweet verweerder onprofessioneel en onzorgvuldig handelen, het overleggen van onjuiste medische informatie aan derden, onvoldoende professionele distantie, onjuiste declaraties en ondeugdelijke dossiervoering. Het CTG heeft bij beslissing van 23 juni 2015 (C2014.408) de tenuitvoerlegging bevolen van voormelde maatregel. Het CTG heeft geoordeeld dat verweerder op verschillende onderdelen onjuiste medische informatie heeft verstrekt. Daarbij heeft het CTG overwogen: “Het Centraal Tuchtcollege is van oordeel dat de arts/gz-psycholoog door het vorenstaande heeft gehandeld in strijd met de goede zorg die hij als arts of gz-psycholoog behoort te betrachten dan wel in strijd met het belang van de individuele gezondheidszorg. Dit betekent dat de bij de uitspraak van het Centraal Tuchtcollege van 13 november 2012 aan de maatregel van schorsing verbonden voorwaarde is vervuld, waardoor de overige door de IGZ aangevoerde punten buiten verdere bespreking kunnen blijven. Dat neemt echter niet weg dat het Centraal Tuchtcollege eraan hecht expliciet te vermelden dat de arts/gz-psycholoog (eveneens) ernstig tuchtrechtelijk laakbaar heeft gehandeld door het opstellen en versturen van de nota van 22 oktober 2013 aan patiënte voor behandelingen die niet door hem zijn verricht. (…)”.

3. De klachten en het standpunt van IGZ

IGZ stelt, samengevat, dat in de periode van 20 februari 2014 tot 7 april 2014 drie meldingen zijn ontvangen van (oud) patiënten over misstanden in de door verweerder aan hen geleverde zorg. Deze patiënten hadden zich tot verweerder gewend in verband met eerder bij hen – door andere  artsen – uitgevoerde cosmetische behandelingen. IGZ stelt dat sprake is van tekortschietende beroepscompetenties en van onverantwoorde zorgverlening aan de zijde van verweerder in beide hoedanigheden waardoor sprake is van disfunctioneren en verzoekt het college om doorhaling van verweerder in het BIG-register met – bij wijze van voorlopige voorziening – een schorsing van de inschrijving.

Volgens IGZ is verweerder buiten de grenzen getreden van wat verwacht mag worden van een redelijk bekwaam en redelijk handelend arts door:

1.   vermenging van al dan niet professionele rollen; onvoldoende duidelijk te zijn naar patiënten in welke hoedanigheid/rol hij optreedt;

2.   tekortschieten in de zorgverlening en patiënten onvoldoende te informeren over de behandeling en zijn promotieonderzoek;

3.   ondeugdelijke declaraties op te stellen;

4.   tekort te schieten in de dossiervoering;

5.   zijn beroepsgeheim te schenden;

6.   onprofessioneel om te gaan met klachten over zijn zorgverlening.

Bij aanvullend klaagschrift legt IGZ ook een aanvullende klacht ter beoordeling voor. IGZ heefthet CTG op 7 november 2014 een casus voorgelegd en op vijf klachtonderdelen verzocht om tenuitvoerlegging van een eerder aan verweerder (c.2011.305) opgelegde voorwaardelijke maatregel. Het CTG heeft de tenuitvoerlegging op 23 juni 2015 gelast. IGZ verzoekt het college om beoordeling van de klachtonderdelen van de casus die het CTG niet in haar beoordeling zou hebben betrokken, te weten: het niet bewaken van professionele grenzen, de vermenging van rollen, ondeugdelijk declareren en onvoldoende dossiervoering.

4. Het standpunt van verweerder

Verweerder voert primair aan dat IGZ in strijd heeft gehandeld met de Leidraad Meldingen IGZ 2013. IGZ heeft na ontvangst van de meldingen (februari 2014 en april 2014) twee jaar gewacht met het indienen van een tuchtklacht zodat IGZ niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, althans daarmee bij het opleggen van de maatregel rekening dient te worden gehouden. Ook voert verweerder aan dat IGZ op grond van artikel 51 wet BIG niet in de aanvullende klacht kan worden ontvangen, nu het CTG daarover al heeft geoordeeld. Zakelijk weergegeven erkent verweerder dat hij de meldsters heeft gesproken in het kader van onderzoek naar de permanente fillerproblematiek. Alleen inventarisatie heeft plaatsgehad waarbij geen behandelingen of verrichtingen zijn uitgevoerd. Er is wel MRI-onderzoek uitgevoerd en onderzoek van symptomen. Verweerder heeft A.S en A nooit antidepressiva voorgeschreven. Aan S heeft verweerder wel medicatie voorgeschreven in verband met unipolaire depressie, dwangstoornis en angststoornis. S was suïcidaal. Verweerder betoogt, onder verwijzing naar de uitspraak van 16 december 2014, dat hij van het college een nieuwe kans heeft gekregen zodat hij niet meer op oude meldingen moet worden afgerekend. Volgens verweerder houdt hij zich sindsdien alleen bezig met wetenschappelijk onderzoek en is hij niet meer werkzaam als arts of GZ-psycholoog. Ook gaat IGZ voorbij aan de grote en waardevolle rol die verweerder heeft gespeeld bij het realiseren van een verbod op permanente fillers.

5. De overwegingen van het college.

5.1       Verweerder heeft allereerst aangevoerd dat de klacht van IGZ niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat IGZ zich in de ogen van verweerder niet heeft gehouden aan de termijnen genoemd in de Leidraad Meldingen IGZ 2013 (artikelen 12 en 14). IGZ heeft aangevoerd dat het onderzoek naar de drie meldingen met redenen, te weten de behandeling van een eerder ingediende klacht tegen verweerder en een verzoek tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke aan hem opgelegde tuchtmaatregel, is afgeweken van de termijnen. Het college acht dit alleszins begrijpelijk, waarbij tevens geldt dat genoemde Leidraad slechts een richtsnoer is voor IGZ en, anders dan verweerder kennelijk betoogt, geen “fatale” of dwingende termijnen bevat. IGZ heeft zich te houden aan in de Algemene Wet bestuursrecht neergelegde beginselen van algemeen bestuur waarbij er binnen die wet mogelijkheden zijn om over procedurele zaken te klagen.

5.2       Het verweer van verweerder komt er verder op neer dat hij jegens mevrouw A.S en mevrouw A niet heeft gehandeld als arts of GZ-psycholoog, maar slechts als wetenschappelijk onderzoeker naar permanente fillerproblematiek en aldus ook geen patiënten heeft behandeld. Het college is van oordeel dat verweerder wel degelijk als arts/GZ-psycholoog bij de behandeling van de beide meldsters betrokken is geweest. Daarvoor is redengevend dat verweerder geneeskundige handelingen heeft verricht en zijn professionele rol niet, althans onvoldoende duidelijk met meldsters heeft besproken. Zo heeft verweerder meldsters onderzocht en adviezen gegeven over de behandeling van hun klachten, gaf hij opdracht tot verder (MRI of bloed)onderzoek en heeft hij medicatie voorgeschreven. Ook declareerde verweerder de consulten als behandelaar. Dat meldsters verweerder niet zagen als onderzoeker, maar als behandelend arts kan worden vastgesteld aan de hand van de verklaringen die zij onafhankelijk van elkaar jegens IGZ hebben afgelegd in het kader van het onderzoek door IGZ, zoals vermeld in de rapportage en gevoegd bij de stukken. Verweerder hield meldsters voor dat “hij het voor hen in orde zou maken”, wat als therapeutisch kan worden beschouwd, zonder dat daar overigens een deugdelijk behandelplan aan ten grondslag lag. Al met al is daarmee sprake van een overeenkomst inzake geneeskundige behandeling (artikel 7:446 Burgerlijk Wetboek).

5.3       Daarmee ligt ter beoordeling voor of verweerder meldsters heeft behandeld met de zorgvuldigheid die van hem onder de geschetste omstandigheden als arts en GZ-psycholoog verwacht mocht worden. Naar het oordeel van het college is dat niet het geval geweest. Het college baseert zich daarbij vooral op de rapportages van IGZ die zijn opgesteld naar aanleiding van de meldingen en het uitgevoerde onderzoek daarnaar. Verweerder is niet ter zitting verschenen om daarover inhoudelijk uitleg te geven.

5.4       Allereerst is verweerder in de diagnostiek tekortgeschoten. Onduidelijk is tot welke (werk)diagnoses verweerder is gekomen en op grond van welke differentiaal diagnostische overwegingen. Evenmin heeft verweerder in zijn verweerschrift duidelijk uiteengezet welke behandeling hij heeft ingesteld, waarom hij tot de conclusie is gekomen dat bij meldsters A en A.S sprake was van depressies en op grond waarvan hij tot het voorschrijven van medicatie is gekomen. Verweerder is bij de behandeling van meldsters in gebreke gebleven met het opvragen van informatie over zijn patiënten bij de huisarts of eerdere behandelend specialisten en hij heeft met deze hulpverleners geen informatie uitgewisseld. Voor een professioneel handelend arts is een zo volledig mogelijk onderbouwde diagnose noodzakelijk voordat met een behandeling wordt begonnen. Van een arts en GZ-psycholoog mogen patiënten verwachten dat de diagnose en behandeling ten minste medisch verantwoord zijn. Uit de meldingen blijkt dat het vertrouwen in verweerder mede gebaseerd was op zijn hoedanigheden waarmee hij zich presenteerde, maar ook dat voortdurend sprake is van rolvermenging waarbij verweerder tekortgeschoten is in zijn informatieplicht naar meldsters. Het was hen in ieder geval niet duidelijk dat verweerder uitsluitend handelde als wetenschappelijk onderzoeker. Tevens heeft verweerder niet of slechts ten dele aan zijn dossierplicht voldaan. Opmerkelijk is dat hij de verslaglegging van A.S en haar vriendin S heeft gecombineerd en geen afzonderlijk dossier heeft aangelegd. Een goede verslaglegging is van wezenlijk belang in het kader van een goede en adequate beoordeling van het professioneel handelen van de zorgverlener en in het kader van continuïteit van zorg. Daaraan is door verweerder niet voldaan. Door IGZ is met de rapportages voorts voldoende onderbouwd dat verweerder ondeugdelijke declaraties heeft opgesteld en zijn beroepsgeheim jegens meldsters heeft geschonden. Tot slot is de wijze waarop verweerder met klachten van zijn patiënten omging, zoals hiervoor onder 2.10 uiteengezet, verre van professioneel te noemen. De conclusie van het voorgaande is dan ook dat verweerder in strijd heeft gehandeld met de zorgvuldigheid zoals die van een arts en GZ-psycholoog op grond van artikel 7:454 Burgerlijk Wetboek mag worden verwacht.

5.5       IGZ heeft met haar aanvullend klaagschrift het college verzocht om ook een oordeel te vellen over een casus voor wat betreft klachtonderdelen die het CTG niet in haar beoordeling tot tenuitvoerlegging zou hebben betrokken blijkens haar uitspraak van 23 juni 2015, te weten: het niet bewaken van professionele grenzen, de vermenging van rollen, ondeugdelijk declareren en onvoldoende dossiervoering.Het verweer stelt de vraag aan de orde of IGZ, die dus al eerder op grond van een casus, dus bepaald feiten, het verzoek tot tenuitvoerlegging heeft ingediend waarop door het CTG is beslist, opnieuw een klacht over zijn handelen in die casus tegen verweerder mag indienen.

5.6       Met IGZ is het college van oordeel dat de beslissing van het CTG tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegde schorsing niet geldt als een eindbeslissing (artikel 73 aant. 1 en artikel 48 aant. 5 Wet BIG) zodat artikel 51 Wet BIG (ne bis in idem) toepassing mist. Maar de eisen van een behoorlijke tuchtprocesorde brengen naar het oordeel van het college toch met zich mee dat IGZ in haar aanvullend klaagschrift in dit geval niet kan worden ontvangen. Door de onderhavige route te kiezen, heeft het CTG al een oordeel gegeven over de zorgvuldigheid van het handelen van verweerder ten aanzien van de casus van

mevrouw S. Het CTG heeft geoordeeld dat verweerder op onderdelen in strijd heeft gehandeld met de goede zorg die hij als arts of GZ-psycholoog behoorde te betrachten, dan wel in strijd met het belang van de individuele gezondheidszorg. Indien het college in eerste aanleg nogmaals inhoudelijk over deze klacht zou kunnen oordelen, kan het CTG daarop (gezien haar eerdere beslissing tot tenuitvoerlegging) in hoger beroep niet meer terugkomen, waarmee het recht van verweerder op een inhoudelijke beoordeling in hoger beroep illusoir is geworden. Het ware anders geweest indien IGZ de klacht tegelijkertijd met een verzoek tot tenuitvoerlegging in eerste aanleg aanhangig had gemaakt, waardoor een inhoudelijke beoordeling in twee instanties mogelijk was geweest. Daar komt bij dat uit de overweging ten overvloede in de beslissing van het CTG volgt dat ook de wijze van declareren al bij de beoordeling is betrokken.

5.7       De conclusie van al het voorgaande is dat de klacht zoals vermeld onder 3 sub 1 tot en met 6 in al haar onderdelen gegrond is. Verweerder heeft gehandeld in strijd met de zorg die hij als arts en GZ-psycholoog in gevolge art. 47 lid 1 van de Wet  BIG ten opzichte van zijn patiënten had behoren te betrachten.

De oplegging van de  maatregel van doorhaling van de inschrijving in het register ingevolge art. 48 lid 1 onder f. Wet BIG  is daarvoor de enig passende sanctie. Uit 2.14 volgt dat aan verweerder eerder diverse al dan niet voorwaardelijke tuchtrechtelijke maatregelen zijn opgelegd. Kern van de beslissingen is steeds dat verweerder buiten de professionele grenzen is getreden van hetgeen verwacht mag worden van een redelijk handelend arts/GZ-psycholoog, vermenging van professionele rollen, geen of onvoldoende zorgverlening, grensoverschrijdend gedrag, onjuiste declaratie(s) en onvolledige dossiervorming. Verweerder is niet ter zitting verschenen om zijn handelen aan het college uit te leggen. Ondanks het feit dat hij in november 2012 aan IGZ heeft bericht dat hij geen patiënten zal behandelen, blijkt  uit deze zaak dat hij ook nadien onzorgvuldig jegens zijn (voormalig) patiënten handelt (2.10). Het moge zo zijn dat verweerder zich met onderzoek bezighoudt, maar hij heeft daarbij ook patiëntencontacten, waarbij de rechten van deze patiënten met voeten worden getreden en de patiëntveiligheid in het gedrang is. Verweerder slaagt er niet in zijn leven te beteren. De kans die verweerder in december 2014 stelt te hebben gekregen, was zonder dat het college kennis had van deze “nieuwe” feiten, de onzorgvuldige wijze waarop verweerder zijn wetenschappelijk onderzoek uitvoert en de onprofessionele wijze waarop verweerder zich in de sociale media en naar zijn patiënten uit. De toenmalige zaak had bovendien geen betrekking op zijn hoedanigheid als GZ-psycholoog. Het college gunt verweerder zijn onderzoek, maar niet met de titel van arts. Daar komt bij dat verweerder voor het zijn van psycholoog niet de registratie van “GZ-psycholoog” behoeft.  Nu het belang van de bescherming van de individuele gezondheidszorg dat vordert, zal het college na te melden voorlopige voorziening opleggen.

5.8       Om redenen, aan het algemeen belang ontleend, zal de beslissing zodra zij onherroepelijk is op na te melden wijze worden bekendgemaakt.

6. De beslissing

Het Regionaal Tuchtcollege:

·        verklaart de klacht onder 3. sub 1. tot en met 6. gegrond;

·        legt aan verweerder uit dien hoofde de maatregel op van doorhaling van de inschrijving in het BIG-register in de hoedanigheid van arts en van GZ-psycholoog;

·        legt tevens, bij wijze van voorlopige voorziening, een terstond van kracht wordende schorsing van de inschrijving in het BIG-register op in beide voormelde hoedanigheden;

·        voor zover die inschrijving inmiddels zou zijn doorgehaald of binnen de beroepstermijn wordt doorgehaald: ontzegt aan verweerder het recht om wederom in het BIG-register te worden ingeschreven in beide hoedanigheden;

·        bepaalt voorts dat de beslissing ingevolge artikel 71 van de Wet BIG in de Nederlandse Staatscourant zal worden bekendgemaakt en aan het Tijdschrift voor Gezondheidsrecht en Medisch Contact, ter bekendmaking zal worden aangeboden;

·        verklaart IGZ niet-ontvankelijk in haar aanvullend klaagschrift.

Aldus beslist door:

mr. A.A.A.M. Schreuder, voorzitter,

dr. R.J. Takens, dr. C.H.J.A.M. van de Vijfeijken, leden psychotherapeut/GZ-psycholoog

drs. H.J. Kolthof en dr. B. van Ramshorst, leden-arts,

bijgestaan door mr. S. van Excel, als secretaris,

en op 23 mei 207 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter in aanwezigheid van de secretaris.

WG  secretaris                                                                                   WG  voorzitter


Arts en psychotherapeut Stephan Evert Nossbaum is inmiddels al vier keer gestraft vanwege medisch nalatig handelen door grensoverschrijdend gedrag en schending van zijn beroepsgeheim. De berispingen staan in het BIG-register waar ook de voorwaarden van de schorsingen in detail worden uitgelegd.

Informatie over Nossbaum

Berispingen in het BIG-register
Nossbaum geschorst per 24 juni 2015 als arts en als GZ-psycholoog voor zes maanden

Naam
S.E. Nossbaum
Geslacht
Man
BIG-nummer geschorst tot en met 23 december 2015
49043843701
Beroepsgroep
Artsen
BIG-nummer
19043843725
Beroepsgroep
Gz-psychologen
Beperking BIG-register
De inschrijving in het register van artsen is per 13 november 2012 voorwaardelijk geschorst voor de duur van zes maanden met een proeftijd van twee jaren. De proeftijd is ingegaan op 13 november 2012 en loopt tot en met 12 november 2014. De zorgverlener moet aan de volgende voorwaarden voldoen: hij mag zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maken aan enig handelen of nalaten dat in strijd is met de goede zorg die hij als arts behoort te betrachten dan wel in strijd is met het belang van de individuele gezondheidszorg. De maatregel is opgelegd vanwege: grensoverschrijdend gedrag/schending van het beroepsgeheim.
Beperking BIG-register
De inschrijving in het register van artsen is per 28 januari 2015 voorwaardelijk geschorst voor de duur van één jaar met een proeftijd van twee jaar. De proeftijd is ingegaan op 28 januari 2015 en loopt tot en met 27 januari 2017. De zorgverlener moet aan de volgende voorwaarden voldoen: zich niet schuldig maken aan enig handelen of nalaten als arts dat in strijd is met de goede zorg die hij als arts behoort te betrachten dan wel in strijd is met het belang van de individuele gezondheidszorg. De maatregel is opgelegd vanwege: grensoverschrijdend gedrag.
Beperking BIG-register
De inschrijving in het register van artsen is per 24 juni 2015 geschorst voor de duur van zes maanden tot en met 23 december 2015. De maatregel is opgelegd vanwege: Geen of onvoldoende zorgverlening, grensoverschrijdend gedrag, onjuiste declaratie(s), afgifte van een onjuiste verklaring of rapport en onvolledige dossiervorming.
Beperking BIG-register
De inschrijving in het register van Gz-psychologen is per 24 juni 2015 geschorst voor de duur van zes maanden tot en met 23 december 2015. De maatregel is opgelegd vanwege: geen of onvoldoende zorgverlening, grensoverschrijdend gedrag, onjuiste declaratie(s), afgifte van een onjuiste verklaring of rapport en onvolledige dossiervorming.
Beperking BIG-register
De inschrijving in het register van Gz-psychologen is per 13 november 2012 voorwaardelijk geschorst voor de duur van zes maanden met een proeftijd van twee jaren. De proeftijd is ingegaan per 13 november 2012 en loopt tot en met 12 november 2014. De zorgverlener moet aan de volgende voorwaarden voldoen: hij mag zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maken aan enig handelen of nalaten dat in strijd is met de goede zorg die hij als GZ-psycholoog behoort te betrachten dan wel in strijd is met het belang van de individuele gezondheidszorg. De maatregel is opgelegd vanwege: grensoverschrijdend gedrag/schending van het beroepsgeheim.

 

 

Janssen, M. (Martin) of Janssen-Kromeich

Plastisch chirurg. Ook bekend als Janssen- Kromeich.
Stand van zaken januari 2012:

3 waarschuwingen en 3 berispingen van tuchtcolleges, zie oa

Waarschuwing 3 jan. 2012 regionaal tuchtcollege gezondheidszorg Eindhoven

Waarschuwing regionaal tuchtcollege gezondheidszorg Eindhoven en

Berisping regionaal tuchtcollege gezondheidszorg Eindhoven.

Zijn 37-jarige patiente Trudy ter Beek overleed na een bodyliftoperatie.

sept. 2009 legde het Centraal tuchtcollege te Den Haag Janssen een waarschuwing op.

Ook legde het Centraal tuchtcollege te Den Haag Janssen een berisping op.

Janssen is werkzaam in zijn eigen Janssen Kliniek in Oisterwijk.

Zijn inschrijving in het BIG-register is voorwaardelijk geschorst voor 3 maanden gedurende een proeftijd van 2 jaar, ingaande 7 april 2011 eindigend op 6 april 2013. De voorwaarden houden geen beperking van de bevoegdheid om het beroep uit te oefenen.

Naam
M.A. Janssen-Kromeich Martin
Geslacht
Man
BIG-nummer
29032825701
Beroepsgroep
Artsen
Specialisme
Plastische chirurgie (plastisch chirurg)
Beperking BIG-register
Bij de inschrijving in het register van artsen is per 16 april 2013 aangetekend dat deze zorgverlener een berisping is opgelegd. De maatregel is opgelegd vanwege: geen of onvoldoende zorgverlening en onjuiste behandeling/verkeerde diagnose.
Datum maatregel
16-04-2013

Visser, L.E.

Achternaam
Visser, Linda Estella
Geslacht
Vrouw
BIG-nummer
29024608301
Beroep
Arts
Plaats

Venlo
Maatregel
Bij de inschrijving in het register van artsen is per 15 november 2018 aangetekend dat deze zorgverlener een berisping is opgelegd. De maatregel is opgelegd vanwege: verstrekking van onvoldoende informatie en onzorgvuldige dossiervorming.
Mevrouw Visser  functioneert als esthetisch arts in haar eigen kliniek arenborghoeve
Dokter Visser is BIG geregistreerd (29024608301) als arts en niet als chirurg.
Zij is lid van diverse specialistenorganisaties o.a.:

  • Nederlandse Vereniging Voor Cosmetische Chirurgie (NVVCC)
  • Vereinigung der Deutschen Ästhetisch-Plastischen Chirurgen (VDÄPC)
  • Deutschen Gesellschaft der Plastischen, Rekonstruktiven und Ästhetische Chirurgen (DGPRÄC)
  • Orde der Geneesheren, België  (RIZIV nr.:17372007210)

Breugel, van H. N. A. M.

Naam
Breugel, van Henrica Nathalia Arnolda Maria
Geslacht
Vrouw
BIG-nummer
69060869101
Beroep
Arts
Woonplaats
Riemst (België)
Maatregel
Bij de inschrijving in het register van artsen is per 31 mei 2018 aangetekend dat deze zorgverlener gedeeltelijk het recht is ontzegd dit beroep uit te oefenen. Deze zorgverlener is niet meer bevoegd om, in het register ingeschreven staand, het beroep van arts uit te oefenen voor zover dit het verrichten van boven- en onderooglidcorrecties betreft. De maatregel is opgelegd vanwege verstrekking van onvoldoende informatie.
——————-
Op de website www.ietsmooier.nl staat:

Opleiding
Na mijn studie geneeskunde ben ik binnen de chirurgie werkzaam geweest om mijn vaardigheden en kennis te versterken. Vervolgens ben ik me gaan richten op de medische esthetiek.

Opmerking SIN-NL:
Let op Mw van Breugel is basisarts en geen chirurg.


https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2018-37391.html

Geen of onvolledig verslag, geen medische fout?

Deze uitspraak van het Centraal Tuchtcollege is opvallend omdat “het operatieverslag van de betrokken arts zo weinig informatie bevat dat het handelen van de arts niet getoetst kan worden”.
Inderdaad verlagen sommige artsen zich tot het maken van een zeer beperkt verslag, mogelijk om hun aansprakelijkheid bij fouten te beperken. Het is daarom heel belangrijk dat patiënten zsm al hun medische gegevens en hun medische dossiers opvragen en vooral het operatie verslag opvragen, ter correctie of aanvulling.
Het Centraal Tuchtcollege oordeelt dat bij onderdeel c: “Voorts heeft verweerster de ingreep niet goed uitgevoerd. Bij de diathermie heeft verweerster de rand van het onderooglid geraakt en is daardoor een kleine brandwond ontstaan. Dit is geen complicatie, maar een kunstfout.
Het CT verklaart de volgende klachten gegrond:
-de onterechte suggestie wekken dat ze chirurg was
-onduidelijkheid over haar onbekwaamheid
-onvoldoende informatie verstrekking
En neemt mee dat het operatieverslag te beperkt was.
Het CT ontzegt de arts de bevoegdheid tot het uitvoeren van ooglidcorrecties.

C E N T R A A L  T U C H T C O L L E G E
voor de Gezondheidszorg
Beslissing in de zaak onder nummer C2017.354

https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2018-37391.html
Uitspraak Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg
Nr. C2017.354
Beslissing in de zaak onder nummer C2017.354 van:
A., arts, werkzaam te B., appellante, verweerster in eerste aanleg, gemachtigde: mr. C.W.M. Verberne, advocaat te Eindhoven,
tegen
C., wonende te D., verweerster in beroep, klaagster in eerste aanleg.
1. Verloop van de procedure
C. – hierna klaagster – heeft op 20 september 2016 bij het Regionaal Tuchtcollege te Eindhoven tegen A. – hierna de arts – een klacht ingediend. Bij beslissing van 28 juni 2017, onder nummer 16198, heeft dat College de klacht gedeeltelijk gegrond verklaard, de arts de bevoegdheid ontzegd om, in het register ingeschreven staand, het beroep van arts uit te oefenen voor zover het het verrichten van boven- en onderooglidcorrecties betreft en publicatie van de beslissing gelast.
De arts is van die beslissing tijdig in beroep gekomen. Klaagster heeft een verweerschrift in beroep ingediend. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft klaagster nog nadere stukken overgelegd.
De zaak is in beroep behandeld ter openbare terechtzitting van het Centraal Tuchtcollege van 17 april 2018, waar zijn verschenen klaagster, en namens de arts de heer E., echtgenoot van de arts, bijgestaan door mr. Verberne voornoemd. De arts is om gezondheidsredenen niet ter terechtzitting verschenen. Ter terechtzitting was aanwezig mevrouw F. Het Regionaal Tuchtcollege heeft haar als getuige gehoord.
Klaagster en mr. Verberne hebben de standpunten nader toegelicht, mr. Verberne mede aan de hand van pleitnotities. De heer E. heeft ter terechtzitting een verklaring van de arts voorgelezen.
2. Beslissing in eerste aanleg
Het Regionaal Tuchtcollege heeft aan zijn beslissing het volgende ten grondslag gelegd. Hierbij is de arts aangeduid als verweerster.
“2. De feiten
Het gaat in deze zaak om het volgende.
Preoperatief
Tijdens de behandelingen bij de schoonheidsspecialiste van klaagster is gesproken over ooglidcorrecties. In januari 2015 heeft klaagster besloten zichzelf een ooglidcorrectie cadeau te doen.
In 2015 heeft de schoonheidsspecialiste verweerster bij klaagster aangeraden als chirurg met heel veel praktische ervaring. Volgens de schoonheidsspecialiste was verweerster cardio-chirurg. Verweerster hield consulten in de salon van de schoonheidsspecialiste.
Op 12 juni 2015 heeft klaagster een intakegesprek gehad met verweerster in de schoonheidssalon. Er werd afgesproken een boven- en onderooglidcorrectie aan beide ogen te doen. Beide correcties zouden in één ingreep worden verricht. De duur van het gesprek was 30 minuten. Verweerster heeft klaagster een formulier met informatie, de datum voor de ingreep en een receptenbriefje voor twee tabletten Bromazepam 6 mg, waarvan één een uur voor de behandeling in te nemen, alsmede voor zaken voor de verzorging thuis na de operatie meegegeven. Er is geen verslag van dit consult.
Peroperatief
De ingreep heeft plaatsgevonden op 7 augustus 2015 in de Kliniek G. waaraan verweerster is verbonden. Klaagster heeft thuis één tablet Bromazepam 6 mg ingenomen. Voorafgaand aan de ingreep heeft verweerster klaagster het informed consent-formulier laten lezen en ondertekenen. Tijdens de ingreep heeft een bloeding plaatsgevonden aan het rechter onderooglid. Bij de diathermie heeft verweerster de rand van het onderooglid geraakt en is daardoor een kleine brandwond ontstaan.
Postoperatief
Op 8 augustus 2015 heeft verweerster klaagster per sms om foto’s van haar ogen gevraagd. Verweerster heeft vervolgens aangegeven dat het er goed uitzag.
Op 15 augustus, 4 september, 9 oktober, 27 november 2015 en 19 februari 2016 is klaagster bij verweerster op controle geweest.
Op 15 augustus 2015 heeft verweerster de hechtingen verwijderd. Ze heeft waargenomen dat de oogleden van klaagster nog wat gezwollen waren, maar dat er sprake was van rustige wonden en een mooi resultaat voor de zevende dag postoperatief. Rechtsonder was de zwelling wat meer dan linksonder. Verweerster heeft aan klaagster aangegeven dat daar meer hematoom en vocht zat, maar dat dit in de loop van de tijd minder zou worden.
Op 4 september 2015 heeft klaagster aangegeven dat ze verschil zag tussen de linker en rechter wal. Verweerster heeft uitgelegd dat het te vroeg was om van een definitief resultaat te spreken.
Op 9 oktober 2015 heeft klaagster aangegeven het vorige gesprek als zeer onprettig te hebben ervaren. Ze had het gevoel dat verweerster haar de schuld probeerde te geven van de peroperatieve bloeding, omdat verweerster zou hebben gezegd dat dat kwam doordat klaagster ooit op haar oog was geslagen.
Op 27 november 2015 was er nog altijd sprake van een lichte zwelling aan de ogen. Op de foto’s die waren gemaakt vóór de operatie heeft verweerster getoond dat er reeds preoperatief een zwelling onder het rechter oog aanwezig was en dat deze dus niet door de operatie was veroorzaakt. Op de op 27 november 2015 gemaakte foto’s is te zien dat de oogleden van klaagster van het oog af staan.
Op 21 januari 2016 heeft klaagster een afspraak gehad bij de afdeling Plastische Chirurgie in het ziekenhuis. Daarbij is aangegeven dat er een correctie mogelijk was. Er is een afspraak gemaakt voor 26 januari 2016, waarbij is afgesproken over twee maanden een vervolgafspraak te maken om nogmaals te beoordelen en een operatie in te plannen.
Op 19 februari 2016 is klaagster weer voor controle bij verweerster geweest. Klaagster heeft de uitkomst van het consult in het ziekenhuis aan verweerster verteld. Klaagster heeft verweerster gevraagd de operatie die zou gaan plaatsvinden in het ziekenhuis te betalen. Verweerster heeft dit toegezegd en schriftelijk bevestigd.
3. Het standpunt van klaagster en de klacht
Klaagster verwijt verweerster misleiding, onbetrouwbaarheid en onzorgvuldig handelen, hetgeen uiteenvalt in de volgende klachtonderdelen:
a. het geven van foute informatie. Verweerster beweert chirurg te zijn, terwijl ze geen specialisatie heeft en in het BIG-register is geregistreerd als basisarts;
b. het geven van onvoldoende informatie. Verweerster heeft geen informatie gegeven over de complexiteit en het verhoogde risico bij onderooglidcorrecties, noch over de diverse opties van operatieve ingrepen bij dit soort correcties. Verweerster heeft klaagster het informed consent formulier enkele minuten voor de ingreep laten tekenen.
c. onzorgvuldig handelen: de ingreep is niet goed gedaan, slechte voorbereiding, slordig gehaast werken/opereren met een machientje, paniekerige aanpak van bloeding;
d. afschuiven van eigen verantwoordelijkheid tijdens de operatie zelf en de eerste maanden van nazorg/controlemomenten.
Klaagster heeft ter toelichting nog het volgende aangevoerd.
In overleg met de schoonheidsspecialiste had klaagster besloten geen risico’s te nemen en juist geen basis- of huisarts te consulteren voor de ooglidcorrectie.
Klaagster kwam bij verweerster voor informatie over een bovenooglidcorrectie aan beide ogen. Het advies van verweerster was om ook de onderoogleden te corrigeren. Dat zou meer resultaat opleveren. Beide correcties zouden in één ingreep worden verricht.
Tijdens de operatie aan het rechter onderooglid is er een bloeding ontstaan. Er was paniek. Verweerster heeft meermaals aan klaagster gevraagd of zij ooit een slag op haar rechteroog had gehad. Klaagster heeft daarop geantwoord dat dat zou kunnen, maar dat ze dat niet meer wist. Na de operatie heeft klaagster een tweede tablet gekregen om rustig te blijven.
In de uitrustkamer heeft verweerster tegen klaagster gezegd dat het een uitdaging was geweest om de operatie goed te laten verlopen en dat de bloeding vermindering of verlies van het zicht tot gevolg kan hebben. Ter preventie heeft verweerster klaagster een lijst meegegeven om dit thuis in de gaten te houden. Verweerster heeft desgevraagd aangegeven dat er geen verschil zou zijn tussen het rechter en linker oog.
Verweerster heeft niet geleverd wat er is afgesproken. Bij het rechter onderooglid is het vet niet verwijderd. Door de operatie is er een blijvend litteken in de rand van het rechter onderoog. Het onderooglid staat ook van het oog af. De vermoeide oogopslag is niet veranderd.
Ten slotte heeft klaagster aangegeven dat er mensen niet steriel de operatiekamer zijn binnengekomen, dat de uitrustkamer ongeordend was en er allerlei zaken van andere cliënten voor haar zichtbaar waren, en dat degene die haar had gebracht en gehaald van de receptioniste heeft vernomen dat verweerster om 7.00 uur was begonnen met opereren en zonder pauze had doorgewerkt tot 19.00 uur.
Ter zitting heeft klaagster naar aanleiding van vragen aangegeven dat verweerster tijdens de intake niet heeft gekeken hoe snel haar ooglid terugklapte en dat ze niet is gevraagd naar droge ogen.
4. Het standpunt van verweerster
Preoperatief
Tijdens het intakegesprek heeft verweerster klaagster ingelicht over de mogelijkheden van correcties aan haar bovenoogleden. Zij heeft fysiek laten zien wat er gedaan kon worden en uitgelegd wat de eventuele risico’s zijn bij een dergelijke operatie.
Tijdens het gesprek kwam tevens naar voren dat klaagster ook graag een correctie aan de onderoogleden zou willen laten uitvoeren. Verweerster heeft daarop aangegeven dat zij dit in één keer zou kunnen doen. Klaagster heeft direct aangegeven dat dan te willen. Verweerster heeft de eventuele complicaties en risico’s uitgebreid aan klaagster medegedeeld. Bovendien heeft verweerster vermeld dat onderooglidcorrecties meer risico’s met zich meebrengen. Daarnaast heeft verweerster met klaagster gesproken over de herstelperiode en de te nemen voorzorgsmaatregelen. Verweerster heeft klaagster een informatiepakket meegegeven, alsmede een recept voor medicatie voor postoperatief gebruik, gazen en NaCl. Ten slotte heeft verweerster afgesproken dat klaagster haar kon bellen met vragen.
Verweerster heeft klaagster verteld dat zij in opleiding is geweest tot cardio-thoracaal chirurg en dat zij tijdens deze opleiding en in haar tijd als AGNIO, in totaal zes jaar, veel chirurgische ervaring heeft opgedaan. Verweerster heeft zich nooit uitgegeven als chirurg.
De schoonheidsspecialiste heeft in een schriftelijke getuigenverklaring ten aanzien van het intakegesprek het volgende verklaard:
“Tijdens de intake zijn duidelijk de risico’s die kunnen ontstaan tijdens zo een operatie, zoals: infectie, bloeding, gestoorde wondgenezing, vochtophoping e.d uitgelegd. Deze zijn meestal niet ernstig en komen niet zo vaak voor.”.
Peroperatief
De operatie heeft plaatsgevonden in een volledig ingerichte operatiekamer.
Voor de operatie heeft verweerster nogmaals beknopt aan klaagster verteld welke correcties ze die dag ging uitvoeren, wat het mogelijke resultaat is en wat daarbij de mogelijke complicaties kunnen zijn. Vervolgens heeft zij klaagster het informed consent-formulier laten lezen en ondertekenen.
Tijdens de operatie is gebleken dat klaagster meer bloedverlies had dan normaal gesproken het geval is. Daarnaast is er peroperatief bij het verrichten van de onderooglidcorrectie rechts, na het verwijderen van het grootste gedeelte van de mediale vetpocket, bloedverlies uit de verwijderde vetpocket ontstaan. Middels diathermie kreeg verweerster dit niet geheel onder controle, waarna zij Fastact heeft gebruikt voor extra stolling. Tijdens voornoemde handeling is met de diathermie de rand van het onderooglid geraakt en daardoor is een kleine brandwond ontstaan. Na overleg met klaagster heeft verweerster besloten het laatste beetje vet in de vetpocket te laten zitten. Verweerster vond het niet verantwoord het risico op een retrobulbaire bloeding te nemen, aangezien er een kluwen van kleine vaten à vue was. Klaagster was het daarmee eens en vroeg of dit het gevolg kon zijn van het feit dat ze vroeger enkele keren op haar ogen was geslagen.
Postoperatief
Na de operatie geeft verweerster haar patiënten altijd een duidelijke instructie voor de eerste dagen na de operatie. Zij geeft hen ook haar persoonlijke telefoonnummer.
Ten aanzien van de klachtonderdelen heeft verweerster verder nog het volgende aangevoerd.
Ad klachtonderdeel a.
Verweerster heeft vijf jaar als AGNIO gewerkt op de afdeling cardiochirurgie en is één jaar in opleiding geweest tot cardio-thoracaal chirurg. Verweerster wilde zich meer focussen op de cosmetische kant van de chirurgie. Aangezien daar geen opleiding voor was, heeft zij één jaar gedurende een of enkele dagen per week meegelopen met een cosmetisch arts. Daarnaast heeft ze nog een geruime tijd een collega arts geassisteerd bij onder- en bovenooglid-correcties. Zij acht zich daardoor bevoegd en bekwaam dergelijke operaties uit te voeren.
Ad klachtonderdeel b.
Het feit dat er geen aantekeningen in de decursus zijn van het intakegesprek dient te worden beschouwd als een omissie. Verweerster heeft echter wel degelijk alle mogelijkheden en risico’s uitvoerig geschetst en klaagster heeft het informed consent-formulier getekend. De informatie uit dit formulier is vooraf besproken en patiënten krijgen voldoende gelegenheid om het op hun gemak te lezen en vragen nog te bespreken.
Ad klachtonderdeel c.
Behoudens het bloedverlies, is alles voor, tijdens en na de operatie normaal verlopen.
De zwelling onder het rechteroog was al aanwezig vóór de operatie en bevindt zich buiten het operatiegebied. Overigens is er geen sprake van een resultaatsverplichting.
Ad klachtonderdeel d.
Verweerster begrijpt niet goed wat klaagster met dit klachtonderdeel bedoelt en kan hier dan ook geen verweer tegen voeren.
Verweerster merkt ten slotte nog op dat zij op de dag van de operatie niet zonder pauze van 7.00 tot 19.00 uur heeft gewerkt. Verweerster is pas om 9.00 uur gestart en heeft meerdere pauzemomenten gehad. Ook was het geen rotzooi in de uitrustkamer en lag er zeker geen medische informatie van andere cliënten. Voorts heeft verweerster enkel en alleen uit coulance en vanwege het feit dat zij zich bedreigd dan wel geïntimideerd voelde door klaagster ingestemd met het vergoeden van de hersteloperatie.
5. De overwegingen van het college
Ten aanzien van klachtonderdeel a overweegt het college als volgt.
Op het toestemmingsformulier dat door zowel klaagster als verweerster is ondertekend, wordt voor verweerster de term ‘chirurg’ gebruikt. Daarmee heeft verweerster de indruk gewekt chirurg te zijn en derhalve foutieve informatie verschaft aan klaagster.
Daarbij acht het college de door verweerster tijdens het intakegesprek aan klaagster verschafte informatie over haar opleiding ook niet voldoende duidelijk. Verweerster heeft naar eigen zeggen aan klaagster aangegeven dat zij als AGNIO heeft gewerkt op de afdeling cardiochirurgie en in opleiding is geweest tot cardio-thoracaal chirurg, maar dat zij zich vervolgens meer wilde focussen op de cosmetische kant van de chirurgie. Verweerster heeft daarmee niet duidelijk aangegeven géén chirurg maar basisarts te zijn.
Dit klachtonderdeel is gegrond.
Ten aanzien van klachtonderdeel b overweegt het college als volgt.
Op grond van artikel 7:448 lid 1 en lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) hoort de arts de patiënt op duidelijke wijze, en desgevraagd schriftelijk, in te lichten over het voorgenomen onderzoek en de voorgestelde behandeling en over de ontwikkelingen omtrent het onderzoek, de behandeling en de gezondheidstoestand van de patiënt. Vervolgens bepaalt de wet dat de arts zich bij het toepassen van de informatieplicht laat leiden door hetgeen de patiënt ‘redelijkerwijze’ dient te weten ten aanzien van:
a. de aard en het doel van het onderzoek of de behandeling;
b. de te verwachten gevolgen en risico’s daarvan voor de gezondheid van de patiënt;
c. andere methoden van onderzoek of behandeling die in aanmerking komen;
d. de gezondheidssituatie van de patiënt en diens vooruitzichten ter zake.
Daarbij geldt dat naarmate de aard van de ingreep en de mogelijke complicaties ingrijpender zijn, en – zoals in casu – een medische noodzaak van de behandeling ontbreekt, er een verzwaarde informatieplicht geldt en dat zwaardere eisen worden gesteld aan de verslaglegging in het medisch dossier.
Klaagster heeft van verweerster een algemene folder ontvangen. De voor deze ingreep relevante informatie over risico’s en complicaties ontbreekt daarin. Ter zake is alleen vermeld dat de mogelijke risico’s en/of complicaties die kunnen optreden tijdens of na de ingreep uitgebreid met de arts zullen worden doorgenomen voor de ingreep. Voorts zijn op het toestemmingsformulier niet alle veel voorkomende complicaties uitputtend vermeld, noch de zeldzame catastrofale risico’s, die op grond van het voorgaande wel hadden moeten worden vermeld.
Waar verweerster stelt dat zij wel alle mogelijkheden en risico’s heeft besproken, was het aan haar om dit te concretiseren en vervolgens met bewijzen te staven, nu dit informatie betreft die op grond van artikel 7:454 BW behoort te zijn opgenomen in het medisch dossier. Nu het intakeformulier ontbreekt in haar dossier van klaagster en ook de getuigenverklaring van de schoonheidsspecialiste de stellingen van verweerster slechts onderbouwt voor wat betreft de voorlichting over infectie, bloeding, gestoorde wondgenezing en vochtophoping, heeft zij noch met bewijzen gestaafd, noch aannemelijk gemaakt dat zij voldoende informatie heeft gegeven.
Ook het bijkomende verwijt dat verweerster het informed consent-formulier niet tijdig heeft laten lezen en ondertekenen is gegrond. De patiënt moet in de gelegenheid zijn de informatie te verwerken en deze zo nodig met anderen te bespreken. Dit vereist tijdige informatieverstrekking. Verweerster had klaagster dit formulier derhalve op een eerder tijdstip ter hand moeten stellen en laten tekenen. Het formulier enige tijd voorafgaand aan de reeds ingeplande ingreep laten lezen en ondertekenen, terwijl klaagster onder invloed is van een tablet Bromazepam, is strijdig met de rechtspraak naar aanleiding van de eerder genoemde wetsartikelen uit de Wet geneeskundige behandelingsovereenkomst (WGBO) en met artikel 3.3 sub e) van de ‘Leidraad plastische chirurgie en esthetische behandelingen in particuliere klinieken’.
Ook dit klachtonderdeel is derhalve gegrond.
Ten aanzien van klachtonderdeel c overweegt het college als volgt.
Blijkens de stellingen van klaagster en haar antwoorden ter zitting, die niet (voldoende) concreet zijn weersproken zijdens verweerster, is de voorbereiding voor de operatie niet correct geweest. Verweerster heeft onvoldoende lichamelijk onderzoek verricht. Zij had onder andere de elasticiteit van de oogleden dienen te bekijken en klaagster dienen te bevragen op het hebben van droge ogen. Al deze gegevens zijn van essentieel belang voor het bepalen van de operatietechniek en een goede voorbereiding.
Dit subonderdeel is daarom gegrond.
Voorts heeft verweerster de ingreep niet goed uitgevoerd. Bij de diathermie heeft verweerster de rand van het onderooglid geraakt en is daardoor een kleine brandwond ontstaan.
Dit is geen complicatie, maar een kunstfout. Het operatieverslag is rudimentair en het college kan hieruit niet afleiden dat verweerster de operatie voor het overige correct heeft verricht. Niet valt vast te stellen of het afstaan van de oogleden een complicatie of een kunstfout is. Ook hier is niet voldaan aan de vereisten neergelegd in artikel 7:454 BW.
Derhalve verklaart het college ook dit subonderdeel gegrond.
Voor het overige is dit klachtonderdeel ongegrond. Niet is gebleken dat verweerster slordig heeft gewerkt en de bloeding op een paniekerige manier heeft aangepakt. Het door klaagster aangeduide machientje, is het apparaat voor diathermie, hetgeen correcte en voor dergelijke operaties benodigde apparatuur betreft.
Ten aanzien van klachtonderdeel d overweegt het college als volgt.
Dit klachtonderdeel is ongegrond. Nog los van het feit dat niet is komen vast te staan of klaagster uit zichzelf of daarnaar gevraagd door verweerster heeft aangegeven in het verleden wel eens een klap op haar oog te hebben gehad, ziet het college een vraag hierover als medische informatie en niet als een poging van verweerster om het ontstaan van de bloeding op klaagster af te schuiven.
Gezien al het voorgaande verklaart het college de klacht gedeeltelijk gegrond.
De maatregel
Bij het opleggen van de maatregel weegt het college het volgende mee.
De dossiervoering is ver onder de maat; belangrijke informatie ontbreekt, de informatie die wel in het dossier staat, is onvolledig en op de papieren staan geen gegevens van de patiënt, zoals naam en BSN-nummer.
Voorts is noch uit het dossier, noch naar aanleiding van de vragen van het college ter zitting gebleken dat verweerster bekwaam was om boven- en onderooglidcorrecties uit te voeren. Zij heeft daartoe geen geregistreerde opleiding genoten. Niet is komen vast te staan hoe vaak verweerster onderooglidcorrecties heeft bijgewoond of onder supervisie uitgevoerd. Dit betekent dat verweerster deze operatie niet bij klaagster had mogen uitvoeren.
Ten slotte acht het college het kwalijk dat verweerster geen achtervang heeft geregeld bij één van de omliggende ziekenhuizen voor het geval zich een calamiteit voordoet.
Gezien de gegrondverklaarde klachtonderdelen en al de voornoemde omstandigheden, meent het college niet te kunnen volstaan met een lichtere maatregel dan een gedeeltelijke ontzegging van de bevoegdheid, te weten om boven- en onderooglidcorrecties te verrichten.
Dat verweerster reeds is gestopt met het doen van boven- en onderooglidcorrecties doet daar niet aan af.
Om redenen, aan het algemeen belang ontleend, zal deze beslissing worden gepubliceerd.”
3. Vaststaande feiten en omstandigheden
Voor de beoordeling van het beroep gaat het Centraal Tuchtcollege uit van de feiten en omstandigheden zoals weergegeven in de beslissing in eerste aanleg, welke weergave in beroep niet, althans onvoldoende, is bestreden.
4. Beoordeling van het beroep
4.1 Met de oorspronkelijke klacht heeft klaagster aan de arts de volgende verwijten gemaakt:
a. het geven van foute informatie: de arts beweert chirurg te zijn maar staat in het BIG-register geregistreerd als basisarts;
b. het geven van onvoldoende informatie: de arts heeft geen informatie gegeven over de complexiteit en het verhoogde risico bij onderooglidcorrecties en heeft klaagster het ‘informed consent formulier’ eerst kort voor de ingreep laten tekenen;
c. onzorgvuldig handelen: de ingreep is niet goed uitgevoerd, slechte voorbereiding, slordig en gehaast werken, paniekerige aanpak van bloeding;
d. afschuiven van eigen verantwoordelijkheid, zowel tijdens de operatie als in de eerste maanden van nazorg.
Het Regionaal Tuchtcollege heeft de onderdelen a en b gegrond verklaard. Onderdeel c is gegrond verklaard voor zover dat onderdeel betrekking had op de voorbereiding en de uitvoering van de ingreep; voor het overige is onderdeel c ongegrond verklaard. Onderdeel d is ongegrond verklaard.
4.2 Het beroep van de arts richt zich tegen de gegrondverklaring van de onderdelen a, b en c (deels) en voorts tegen de zwaarte van de opgelegde maatregel. De arts concludeert tot vernietiging van de beslissing in eerste aanleg voor zover de klacht daarbij gegrond is verklaard en tot afwijzing van de gehele klacht, subsidiair, bij (gedeeltelijke) gegrondverklaring van de klacht, tot het opleggen van een lichtere maatregel.
4.3 Klaagster heeft in beroep verweer gevoerd en – impliciet – geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
4.4 Het Centraal Tuchtcollege oordeelt als volgt.
4.5 Met het Regionaal Tuchtcollege is het Centraal Tuchtcollege van oordeel dat het klachtonderdeel a gegrond is. Nu de arts op het toestemmingsformulier werd aangeduid als ‘chirurg’ is daarmee aan klaagster foutieve informatie verstrekt. Het betoog van de arts dat klaagster had kunnen weten dat de arts geen chirurg was indien zij het BIG-register had geraadpleegd – wat daar verder van zij – ontslaat de arts niet van de verplichting juiste informatie te verstrekken of een onjuiste indruk weg te nemen. Op dit punt slaagt het beroep van de arts niet.
4.6 Het beroep faalt eveneens waar het zich richt tegen de gegrondverklaring van klachtonderdeel b. De arts heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zij klaagster voorafgaand aan de ingreep heeft gewezen op de mogelijke risico’s en/of op de mogelijke complicaties die tijdens of na de ingreep kunnen optreden. Het Centraal Tuchtcollege neemt hier over hetgeen het Regionaal Tuchtcollege in zijn beslissing over dit klachtonderdeel heeft overwogen.
4.7 Wat betreft klachtonderdeel c volgt het Centraal Tuchtcollege niet het oordeel van het Regionaal Tuchtcollege dat de voorbereiding voor de operatie niet correct is geweest. Ter terechtzitting in beroep is komen vast te staan dat de arts bij het intakegesprek lichamelijk onderzoek heeft verricht door – met behulp van een wattenstaafje – de elasticiteit van de oogleden van klaagster te beoordelen.
Het Centraal Tuchtcollege heeft overigens wel bedenkingen met betrekking tot het door een ander dan de arts aftekenen van de oogleden. Dit zou slechts anders zijn in een opleidingssituatie waarvan in dit geval geen sprake is.
Wat betreft de uitvoering van de ingreep heeft het Centraal Tuchtcollege, anders dan het Regionaal Tuchtcollege, niet kunnen vaststellen of sprake is geweest van een complicatie of een kunstfout, dit vanwege het zeer summiere operatieverslag in combinatie met het feit dat het Centraal Tuchtcollege de arts hierover vanwege haar afwezigheid ter terechtzitting niet heeft kunnen bevragen. Zo is in het operatieverslag niet omschreven welke techniek de arts heeft gebruikt en ook niet hoe zij de ingreep heeft verricht.
Voor zover het beroep van de arts zich tegen de gedeeltelijke gegrondverklaring van klachtonderdeel c richt slaagt het derhalve.
4.8 Uit voorgaande overwegingen volgt dat het Centraal Tuchtcollege evenals het Regionaal Tuchtcollege de klachtonderdelen a en b gegrond acht, maar klachtonderdeel c ongegrond, waar dit laatste klachtonderdeel door het Regionaal Tuchtcollege deels gegrond was bevonden. Dit feit heeft het Centraal Tuchtcollege evenwel geen aanleiding gegeven tot het opleggen van een minder zware maatregel dan in eerste aanleg aan de arts is opgelegd. Het Centraal Tuchtcollege weegt in het nadeel van de arts dat het operatieverslag zo weinig informatie bevat dat het handelen van de arts niet getoetst kan worden. De door de arts in beroep overgelegde verklaringen geven onvoldoende inzicht in de wijze waarop de arts de door haar gestelde bekwaamheid heeft verworven. Ieder inzicht in het aantal ingrepen dat de arts voorafgaand aan deze ingreep (7 augustus 2015) had uitgevoerd, ontbreekt ook in beroep. Verder heeft de arts niet alsnog stukken overgelegd waaruit blijkt dat in het kader van achterwacht adequate afspraken waren gemaakt met omliggende ziekenhuizen of met in de nabijheid werkzame specialisten.
Gelet op al het voorgaande komt het Centraal Tuchtcollege met eenparigheid van stemmen tot het oordeel dat de maatregel van een ontzegging van de bevoegdheid om boven- en onderooglidcorrecties te verrichten passend en geboden is en daarom dient te worden gehandhaafd.
4.9 Om redenen aan het algemeen belang ontleend gelast het Centraal Tuchtcollege de publicatie van deze uitspraak.
5. Beslissing
Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
vernietigt de beslissing waarvan beroep voor zover klachtonderdeel c deels gegrond is verklaard;
verklaart klachtonderdeel c alsnog ongegrond;
verstaat dat in stand blijft de maatregel van ontzegging aan de arts van de bevoegdheid om, in het register ingeschreven staand, het beroep van arts uit te oefenen voor zover dit het verrichten van boven- en onderooglidcorrecties betreft;
verwerpt het beroep voor het overige;
bepaalt dat deze beslissing op de voet van artikel 71 Wet BIG zal worden bekendgemaakt in de Staatscourant, en zal worden aangeboden aan het Tijdschrift voor Gezondheidsrecht, Gezondheidszorg Jurisprudentie en Medisch Contact, met het verzoek tot plaatsing.
Deze beslissing is gegeven door: mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, mr. A.R.O. Mooy en mr. A. Smeeïng-van Hees, leden-juristen en drs. R.E.F. Huijgen en drs. W.F.A. Kolkman, leden-beroepsgenoten en mr. M.D. Barendrecht-Deelen, secretaris.
Uitgesproken ter openbare zitting van 31 mei 2018.
Voorzitter
Secretaris