Zoekresultaten voor: "plastisch chirurg"

Plastisch chirurg Maasstadziekenhuis

Update
Op 19 4 2016 berichtte de Inspectie Gezondheidszorg-IGZ- dat permanente fillers uitsluitend voor reconstructieve chirurgie en niet voor cosmetische doeleinden gebruikt mocht worden.
Lees het bericht van de IGZ:  Actief toezicht richting aanbieders behandeling permanente fillers

Commentaar SIN-NL
Compliment voor deze patiënte die zo hard blijft doorvechten voor gerechtigheid inmiddels bij het Centraal Tuchtcollege omdat het Regionaal Tuchtcollege totaal voorbij aan de uitspraak van het Centraal Tuchtcollege in 2011!  www.tuchtrecht.overheid.nl

Het College bepaalde toen dat een arts die bij de behandeling van een tuchtklacht verklaringen aflegt die “opzettelijk in strijd zijn met de waarheid”, in strijd handelt met de goede uitoefening van de gezondheidszorg. Anders gezegd: hoewel hij of zij niet onder ede staat, moet een arts de waarheid spreken voor de tuchtrechter.

update
Het Centraal Tuchtcollege heeft de klacht van de patiënte bij uitspraak van 12 januari 2016- zie onderaan- in hoger beroep afgewezen en daarbij expliciet overwogen dat de patiënte niet aannemelijk heeft gemaakt dat de plastisch chirurg in een eerdere procedure in strijd met de waarheid zou hebben verklaard.
De patiënte is hierover verbijsterd.
De naam van de plastisch chirurg is bekend bij SIN-NL.
————————————————-

Heeft naar de mening van patiënte zonder de patiënte te informeren  over mogelijke negatieve bijwerkingen een veel te grote hoeveelheid van de rimpelvuller Dermalive ingespoten rond de mond en zonder toestemming te vragen extra Dermalive ingespoten rond de neus. Het betrof hier een middel dat net nieuw op de markt was en waarvan niet duidelijk was wat dit op de lange termijn zou doen.
De ingespoten Dermalive is vervormd tot zeer grote knobbels in haar gezicht en patiënte heeft inmiddels diverse operaties ondergaan om deze knobbels te laten verwijderen.
Foto’s zie hieronder.
Weigerde naar de mening van patiënte eerlijke informatie, diagnostiek en herstelbehandeling en schond Wet op de Geneeskundige Behandelings Overeenkomst.

Tot verbijstering van de patiente heeft het Centraal Tuchtcollege op 12 jan 2016 het hoger beroep ondanks diverse sterke bewijzen afgewezen.
Het is juridisch gezien onrechtmatig om bewijzen van medisch nalatig handelen waardoor aantoonbaar ernstige fysieke schade is ontstaan te negeren.
Zie doofpotdossier plastisch chirurg.

Extra informatie:

Nadat patiënte door de plastisch chirurg werkend vanuit Het Maasstad ziekenhuis, na het inspuiten van een permanente rimpelvuller allemaal harde bulten in haar gezicht en lippen krijgt moet de dokter op 2 februari 2010 voor het Regionaal Tucht College verschijnen.

Echter pas na de afwijzing van de klacht in 2010 kan na 6 operaties welke zijn vastgelegd  op beeld, wettelijk en overtuigend worden bewezen dat de bulten in het gezicht en lippen van patiënte uitsluitend gevormd worden door harde plastic klonten. Het vloeibaar gemaakte middel is tijdens het uithardingsproces in het gezicht van mevrouw verkleefd aan spiertjes, zenuwen en huidweefsel.

Een plastic klont wordt uit het gezicht van mevr. van Hooft gehaald.

Een plastic klont wordt uit het gezicht van patiënte gehaald.

Een plastic klont wordt uit de lip verwijderd.

Een plastic klont wordt uit de lip verwijderd.

Hechtingen in de lip van mevr. Van Hooft.

Hechtingen in de lip van patiënte

Potje met verwijderde acrylaat stukken

Potje met verwijderde acrylaat (plastic) klonten

Deze ontwikkeling was wel degelijk te voorzien. Hij nam hiermee dan ook een onaanvaardbaar risico, naar de mening van patiënte.

Bijsluiter van Dermalive

Bijsluiter van Dermalive. Klik voor vergroting.

Uit de achterhaalde bijsluiter blijkt dat de permanente rimpelvuller Dermalive door de plastisch chirurg  nooit in het lippenrood van patiënte gespoten had mogen worden!

Het Maasstadziekenhuis dreigt na het verschijnen van patiënte in De Wereld Draait Door (21 okt. 2013) in de media aangifte te doen van smaad en laster (Zorgvisie, 23 okt. 2013).

Daarom stelt patiënte voor om in het bijzijn van een onafhankelijke notaris van haar volgende operatie wederom beeld en geluidsopnamen te laten maken en de nog te verwijderen klonten uit haar gezicht en lippen door deze notaris te laten verzegelen voor  medisch forensisch technisch onderzoek.

Patiënte heeft door de vele operaties voldoende wettelijk en overtuigend bewijs dat de harde plastic klonten in haar gezicht en lippen aantoonbaar uithardingen van het ingespoten middel zijn.

Doordat de plastisch chirurg steeds heeft verklaard dat de ontwikkeling zoals deze zich heeft gemanifesteerd  in het gezicht en lippen van patiënte  door hem niet te voorzien was, is de klacht door alle instanties afgewezen.

Uitspraak Centraal Tuchtcollege 12 januari 2016
http://www.medischcontact.nl/Kennis/Recht/Uitspraak-Tuchtcollege/Tuchtzaak/154065/Liegen-tegen-de-tuchtrechter-mag-niet.htm

Uitspraak Centraal Tuchtcollege 12 januari 2016
Liegen tegen de tuchtrechter mag niet
Publicatie Nr. 22 – 02 juni 2016
Jaargang 2016
Rubriek Uitspraak Tuchtcollege
Auteur Sophie Broersen en Diederik van Meersbergen
Pagina’s 34-36

De ongelukkigen onder u die voor de tuchtrechter moeten verschijnen, hoeven daarbij niet te zweren dat ze de waarheid vertellen. Wie op een leugen wordt betrapt, kan dus ook niet voor meineed worden vervolgd. Maar dat wil nog niet zeggen dat bewust onwaarheden verkopen tegen de tuchtrechter is toegestaan.

In deze tuchtzaak klaagt een vrouw over de ‘meinedige’ verklaringen van een plastisch chirurg in een eerdere tuchtzaak. Hij zou in die eerste zaak opzettelijk hebben gelogen, over de mogelijke bijwerkingen van een middel dat hij bij haar inspoot. Het regionaal tuchtcollege acht de vrouw niet-ontvankelijk in haar klacht, maar het Centraal Tuchtcollege is het daar niet mee eens. Het gaat inderdaad niet over meineed, maar opzettelijk liegen over een behandeling is in strijd met het ‘belang van een goede uitoefening van de individuele gezondheidszorg’. Terecht, lijkt ons. In dit geval kan het Centraal Tuchtcollege niet vaststellen dat de man gelogen heeft, dus wordt de klacht afgewezen.

Sophie Broersen, arts/journalist

Diederik van Meersbergen, jurist KNMG

Centraal tuchtcollege voor de Gezondheidszorg

Beslissing in de zaak onder nummer C2014.446 van:

A., wonende te B., appellante, klaagster in eerste aanleg,

tegen

C., plastisch chirurg, werkzaam te D., verweerder in beide instanties, gemachtigde: mr. J.M. Aantjes-Hubers.

1. Verloop van de procedure

A. – hierna klaagster – heeft op 26 april 2013 bij het Regionaal Tuchtcollege te Den Haag tegen C. – hierna de plastisch chirurg – een klacht ingediend. Bij beslissing van 23 september 2014, onder nummer 2013-094 heeft dat College klaagster niet-ontvankelijk verklaard in haar klacht. Klaagster is van die beslissing tijdig in hoger beroep gekomen. De plastisch chirurg heeft een verweerschrift in hoger beroep ingediend.

De zaak is in hoger beroep behandeld ter openbare terechtzitting van het Centraal Tuchtcollege van 26 november 2015, waar zijn verschenen klaagster en de plastisch chirurg, laatstgenoemde bijgestaan door mr. J.M. Aantjes -Hubers. Beide partijen hebben hun standpunten toegelicht aan de hand van pleitnotities die aan het Centraal Tuchtcollege zijn overgelegd.

2. Beslissing in eerste aanleg

Het Regionaal Tuchtcollege heeft aan zijn beslissing het volgende ten grondslag gelegd.

“(…)

2. De feiten

Klaagster heeft eerder een klacht ingediend tegen verweerder. Hierbij verweet

klaagster verweerder met name dat hij in 2000 zonder deugdelijke voorlichting tegen

de afspraak in het middel Dermalive heeft ingespoten in haar neus- en mondplooien.

Deze klacht (met kenmerk 2009-087) is door dit Tuchtcollege behandeld op

2 februari 2010 en bij uitspraak van 30 maart 2010 afgewezen. Klaagster heeft tegen deze uitspraak geen hoger beroep ingesteld.

2.2 Hierna heeft klaagster diverse operaties ondergaan, waarbij ingekapselde bultjes uit haar gezicht zijn verwijderd. Volgens klaagster zijn deze bultjes veroorzaakt door het inspuiten in 2000 met Dermalive.

3. De klacht

Klaagster verwijt verweerder zakelijk weergegeven dat hij in voornoemde procedure 2009-087 meinedige verklaringen heeft afgelegd ten overstaan van het College;

4. Het standpunt van verweerder

Verweerder heeft de klacht en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen bestreden. Voor zover nodig wordt daarop hieronder ingegaan.

5. De beoordeling

Klaagster verwijt verweerder, naar het College begrijpt, dat hij heeft gelogen tegenover het tuchtcollege bij de mondelinge behandeling op 2 februari 2010. Voor zover klaagster spreekt over ‘meineed’ berust dit kennelijk op een misverstand. Verweerder is niet onder ede gehoord. Het verwijt van ‘liegen bij het Tuchtcollege’ valt niet onder een van de tuchtnormen van art 47 Wet BIG (betreft immers niet ondeugdelijke individuele zorg of enig ander handelen als arts in strijd met het belang van een goede uitoefening van individuele gezondheidszorg als bedoeld in art 47, lid 1 onder a en/of b van de Wet BIG). Verweerder heeft het recht zich tegen een tuchtklacht te verweren. Dit betekent dat klaagster niet-ontvankelijk is in haar klacht.

(…)”

3. Vaststaande feiten en omstandigheden

Voor de beoordeling van het hoger beroep gaat het Centraal Tuchtcollege uit van de feiten en omstandigheden zoals deze zijn vastgesteld door het Regionaal Tuchtcollege en hiervoor onder 2 “2. De feiten” zijn weergegeven.

4. Beoordeling van het hoger beroep

4.1 In hoger beroep heeft klaagster aangevoerd dat het Regionaal Tuchtcollege haar ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard in haar klacht. Zij heeft betoogd dat de plastisch chirurg in strijd heeft gehandeld met een goede uitoefening van de gezondheidszorg door in een eerdere tuchtrechtelijke procedure opzettelijk in strijd met de waarheid over haar behandeling te verklaren. De plastisch chirurg heeft gemotiveerd verweer gevoerd en geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

.2 Het Centraal Tuchtcollege is van oordeel dat een arts die in een tuchtrechtelijk procedure opzettelijk in strijd met de waarheid een verklaring aflegt omtrent wetenschap die hij heeft als arts met betrekking tot de behandeling van zijn patiënt, handelt in strijd met het belang van een goede uitoefening van de individuele gezondheidszorg (artikel 47 lid 1 onder b Wet BIG). Of de verklaring al dan niet onder ede is afgelegd, is daarvoor niet bepalend. Klaagster moet daarom in haar klacht worden ontvangen. De beslissing van het Regionaal Tuchtcollege kan niet in stand blijven. Derhalve moet alsnog worden onderzocht of de arts daadwerkelijk opzettelijk in strijd met de waarheid verklaringen heeft afgelegd ter gelegenheid van de behandeling van de eerdere klacht op 2 februari 2010.

4.3 Naar het oordeel van het Centraal Tuchtcollege kan op basis van hetgeen in de onderhavige procedure naar voren is gebracht niet worden vastgesteld dat de plastisch chirurg in de eerdere tuchtrechtelijke procedure (uitspraak op 30 maart 2010) over de behandeling van klaagster opzettelijk in strijd met de waarheid heeft verklaard. Klaagster heeft dit – tegenover de gemotiveerde betwisting van de plastisch chirurg – niet aannemelijk gemaakt. Zelfs indien overeenkomstig haar stelling zou worden aangenomen dat de bulten die enkele jaren na de behandeling in haar gezicht en op haar bovenlip zijn ontstaan uit harde klonten plastic bestaan, dan is daarmee niet gegeven dat de plastisch chirurg ten tijde van de behandeling in 2000 wist of had kunnen weten dat dit een mogelijke bijwerking was van het middel Dermalive. Dat de plastisch chirurg het middel in strijd met de voorschriften van de fabrikant in het “lippenrood” heeft geïnjecteerd, wordt door de plastisch chirurg betwist en is niet aannemelijk geworden. Het Centraal Tuchtcollege zal de klacht van klaagster daarom afwijzen.

4.4 Om redenen aan het algemeen belang ontleend, zal de publicatie van deze beslissing worden gelast.

5. Beslissing

Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

vernietigt de beslissing waarvan hoger beroep;

wijst de klacht van klaagster af;

bepaalt dat deze beslissing op de voet van artikel 71 Wet BIG zal worden bekendgemaakt in de Staatscourant, en zal worden aan­geboden aan het Tijdschrift voor Gezondheidsrecht, Gezondheidszorg Jurisprudentie en Medisch Contact met het verzoek tot plaatsing.

Deze beslissing is gegeven door:
mr. K.E. Mollema, voorzitter, mr. W.P.C.M. Bruinsma en prof. mr. J. Legemaate, leden-juristen en dr. R.T. Ottow en prof. dr. R. Willemze, leden-beroepsgenoten en mr. A. Mul, secretaris, en uitgesproken ter openbare zitting van 12 januari 2016.

Dit artikel als PDF (ingekorte uitspraak)

Beekman, W.H.

Naam
Beekman, Werner Hubert
Geslacht
Man
BIG-nummer
29019852801
Beroepsgroep
Artsen
Specialisme
Plastische chirurgie (plastisch chirurg)

Plaats

Soest
Aantekening
Bij de inschrijving in het register van artsen is per 15 augustus 2017 aangetekend dat deze zorgverlener een berisping is opgelegd. De maatregel is opgelegd vanwege: onjuiste behandeling en/of verkeerde diagnose.

Not, H.P. van

Naam
Not,  Hans Pieter van
Geslacht
Man
BIG-nummer
89023023501
Beroepsgroep
Artsen
Specialisme
Plastische chirurgie (plastisch chirurg)

Plaats

’s Heer Hendrikskinderen
Aantekening
De inschrijving in het register van artsen is per 26 april 2017 voorwaardelijk geschorst voor de duur van zes maanden met een proeftijd van twee jaren. De proeftijd is ingegaan op 26 april 2017 en loopt tot en met 25 april 2019. De zorgverlener moet aan de volgende voorwaarden voldoen: zich voor het einde van de proeftijd niet opnieuw schuldig maken aan tuchtrechtelijk verwijtbaar gedrag. De maatregel is opgelegd vanwege: grensoverschrijdend gedrag.

Lees de uitspraak van het tuchtcollege
Opvallend is  punt 5.7: “Klager klaagt er ten slotte over dat de bestuursvoorzitter van [het ziekenhuis] en [het ziekenhuis zelf] niet hebben ingegrepen. Die klacht betreft niet verweerder. Daarop stuit die klacht af.”

bron: www.zeelandcare.nl

H.P. van Not

Plastisch Chirurg Hans Pieter van Not studeerde Geneeskunde aan de Universiteit van Leiden. Na zijn artsexmen vervulde Van Not diensttijd bij de Koninklijke Marine als Luitenant ter Zee Arts en in andere functies, waaronder het Korps Mariniers in Noorwegen.  Van Not genoot zijn specialisatie in het Leyenburg ziekenhuis in Den Haag. Hij specialiseerde zich tot plastisch chirurg in het Academisch Ziekenhuis Rotterdam en hedendaags in het Erasmus MC.

Hans Pieter van Not heeft als aandachtsgebieden de rimpelbehandeling met injectables, gelaat- en halschirurgie, neuscorrecties, borstcorrecties, liposculptuur en genitaalcorrecties.

In 1999 startte hij samen met collega Dennis Goossens de privékliniek MedCentric op. Dit deed hij naast zijn werkzaamheden in de reguliere ziekenhuizen van Zeeland. In deze ziekenhuizen heeft hij als aandachtsgebieden handchirurgie (traumatologie en vingergewrichtimplantaten) en borstcorrecties. H.P. van Not is werkzaam als plastisch chirurg in de Victoriakliniek en het MWCZ. Hij heeft bijzondere aandacht voor rimpelbehandeling met injectables, gelaat- en halschirurgie, neuscorrecties, borstcorrecties, liposculptuur en genitaalcorrecties.

Plastisch chirurg

Kiest u voor een plastisch chirurgische behandeling bij Zeelandcare? Onze plastisch chirurgen voeren de behandelingen uit met de grootst mogelijke zorg en aandacht. Bij Zeelandcare kunt u terecht voor verschillende plastische behandelingen. Denk hierbij aan een ooglidcorrectie, facelift, liposuctie en nog veel meer. Onze plastisch chirurgen hebben ieder een gebied van expertise. Kijk naar de beschrijving van de plastisch chirurgen om te zien op welk gebied hij of zij uitblinkt.

Weij, L.P. van der

Naam
Weij, L.P. van der Leo Peter
Geslacht
Man
BIG-nummer
29024883901
Beroepsgroep
Artsen
Specialisme
Plastische chirurgie (plastisch chirurg)
Werkzaam
Boerhaave kliniek Amsterdam
Woonplaats
Oosterbeek
Aantekening
De inschrijving in het register van artsen is per 24 januari 2017 voorwaardelijk geschorst voor de duur van 6 weken met een proeftijd van één jaar. De proeftijd is ingegaan op 24 januari 2017 en loopt tot en met 23 januari 2018.
De zorgverlener moet aan de volgende voorwaarden voldoen:
Deze zorgverlener mag zich binnen de proeftijd van één jaar niet schuldig maken aan enig handelen of nalaten dat in strijd is met de goede zorg die deze zorgverlener als chirurg behoort te betrachten dan wel in strijd is met het belang van de individuele gezondheidszorg.
De maatregel is opgelegd vanwege: verstrekking van onvoldoende informatie en onvolledige dossiervorming, zie uitspraak Centraal Tuchtcollege

Eigen website: www.drvanderweij.nl

Kappel, R. M.

Toevoeging 8 nov.2016:
Twee artsen bewijzen siliconen borstimplantaten in hersenen en ruggemerg


Naam
R.M. Kappel (Rita Margaret)
Geslacht
Vrouw
BIG-nummer
59044535801
Beroepsgroep
Artsen
Specialisme
Plastische chirurgie (plastisch chirurg) 
Zwolle
Aantekening
De inschrijving in het register van artsen is per 19 mei 2016 voorwaardelijk geschorst voor de duur van 4 maanden met een proeftijd van 2 jaren.
De proeftijd is ingegaan op 19 mei 2016 en loopt tot en met 18 mei 2018.
De zorgverlener moet aan de volgende voorwaarden voldoen: deze zorgverlener mag zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maken aan enig handelen of nalaten dat in strijd is met de goede zorg die zij als plastisch chirurg behoort te betrachten dan wel in strijd is met het belang van de individuele gezondheidszorg. De maatregel is opgelegd vanwege: geen of onvoldoende zorgverlening en verstrekking van onvoldoende informatie.

——-
Dr Kappel heeft een eigen instituut voor plastische chirurgie en healthcounseling te Zwolle
zie www.drkappel.nl 


ECLI:NL:TGZCTG:2016:188 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2015.347

Klacht tegen plastisch chirurg werkzaam in particuliere kliniek. De plastisch chirurg heeft bij klaagster een explantatie-operatie (verwijderen borstprotheses) verricht. Na de operatie is een complicatie (nabloeding) opgetreden die door de plastisch chirurg met een hersteloperatie is verholpen. Na de hersteloperatie is klaagster overgebracht naar een regulier ziekenhuis. Klaagster heeft in 9 klachtonderdelen geklaagd over de postoperatieve nazorg die zij na de explantatie-operatie heeft gekregen. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht gedeeltelijk gegrond verklaard en aan de plastisch chirurg de maatregel van schorsing voor de duur van een jaar opgelegd. De plastisch chirurg is van die beslissing in beroep gekomen. Het Centraal Tuchtcollege heeft een aantal klachtonderdelen alsnog (gedeeltelijk) ongegrond verklaard en aan de plastisch chirurg de lagere maatregel opgelegd van voorwaardelijke schorsing voor de duur van 4 maanden met een proeftijd van 2 jaar.

Datum uitspraak: 19-05-2016

Datum publicatie: 19-05-2016 ECLI: ECLI:NL:TGZCTG:2016:188


C E N T R A A L  T U C H T C O L L E G E

voor de Gezondheidszorg

Beslissing in de zaak onder nummer C2015.347 van:

A., plastisch chirurg, werkzaam te B.,

appellante, verweerster in eerste aanleg,

gemachtigde: mr. J.F. Rense, advocaat te Rotterdam.

tegen

C., wonende te D., verweerster in hoger beroep, klaagster in eerste aanleg, gemachtigde: de heer G.F.M. Kloppenburg verbonden aan Ottenschot Rechtshulp bij Letselschade te Almelo.

1.        Verloop van de procedure

C. – hierna klaagster – heeft op 14 oktober 2014 bij het Regionaal Tuchtcollege te Zwolle tegen A. – hierna de plastisch chirurg – een klacht ingediend. Bij beslissing van 7 augustus 2015, onder nummer 173/2014 heeft dat College de klacht gedeeltelijk gegrond verklaard en de plastisch chirurg daarvoor de maatregel van schorsing van de inschrijving in het register voor de duur van één jaar opgelegd en publicatie van de beslissing gelast.

De plastisch chirurg is van die beslissing tijdig in hoger beroep gekomen.

Klaagster heeft een verweerschrift in hoger beroep ingediend.

De zaak is in hoger beroep behandeld ter openbare terechtzitting van het Centraal Tuchtcollege van 8 maart 2016, waar zijn verschenen klaagster, bijgestaan door haar gemachtigde de heer Kloppenburg voornoemd, en de plastisch chirurg, bijgestaan door mr. B.P.H. Leijnse, kantoorgenoot van mr. Rense voornoemd. Tevens was ter terechtzitting aanwezig de echtgenoot van klaagster.

Mr. Leijnse heeft een pleitnota overgelegd.

2.        Beslissing in eerste aanleg

Het Regionaal Tuchtcollege heeft aan zijn beslissing de volgende overwegingen ten grondslag gelegd.

2. DE FEITEN

Op grond van de stukken, waaronder het medisch dossier en het verhandelde ter zitting dient, voor zover van belang voor de beoordeling van de klacht, van het volgende te worden uitgegaan.

Verweerster is als plastisch chirurg werkzaam in het door haar gedreven zelfstandig behandelcentrum voor plastische chirurgie en healthcounseling. Voor operaties van haar patiënten huurt zij operatieruimte, in de onderhavige periode in de E.. Zij verzorgt zelf het benodigde operatiepersoneel.

Klaagster heeft zich tot verweerster gewend met het verzoek om haar siliconen borstprothesen te laten verwijderen, onder andere vanwege pijnklachten.

Op 29 april 2014 was het eerste consult. Verweerster heeft klaagster toen onderzocht en heeft haar geïnformeerd over de voorgenomen behandeling en de bijbehorende risico’s.

Op 7 juni 2014 rond 19.00 uur vond de operatie plaats in de E. te F.. Naast verweerster waren aanwezig anesthesioloog G., de anesthesieassistent, een instrumenterende OK-verpleegkundige en de omloop. Blijkens het operatieverslag was er sprake van een explantatie en capsulectomie.

Er werd begonnen met de rechterborst. De prothese was intact en werd verwijderd. Er werd een totale capsulectomie verricht. Dezelfde ingreep werd gedaan bij de linkerborst. Blijkens het OK- registratieformulier was einde OK om 20.40 uur. Nadat klaagster wakker werd, heeft zij tegen de recoveryverpleegkundige gezegd dat zij veel pijn had. Om 22.00 uur heeft verweerster klaagster gesproken. Verweerster heeft vervolgens op enig moment de kliniek verlaten. In de kliniek waren op dat moment de recoveryverpleegkundige, klaagster en de gastvrouw van de kliniek nog aanwezig.

De pijn werd heftiger en klaagster voelde zich niet in staat om naar huis te gaan.

Om 23.00 uur belde de recoveryverpleegkundige met verweerster omdat zij vermoedde dat er sprake was van een nabloeding. Verweerster was nog onderweg naar huis en is teruggegaan naar de kliniek.

Rond 00.30 uur heeft verweerster klaagster opnieuw geopereerd. Zij heeft hierbij onder plaatselijke verdoving de bloeding gestopt door onder meer vaten te doorsteken en te coaguleren. De recoveryverpleegkundige heeft hierbij geassisteerd.

De gastvrouw is eveneens aanwezig geweest bij de operatie. Verweerster heeft hierbij dezelfde haak gebruikt die zij ook bij de eerdere operatie had gebruikt. Deze haak is in alcohol gedesinfecteerd. De operatieheeft ongeveer anderhalf uur in beslag genomen.

Besloten werd dat klaagster in ieder geval tot de volgende ochtend in de kliniek zou blijven. Verweerster heeft de kliniek weer verlaten. Klaagster voelde zich die verdere nacht duizelig en naar. Rond 7.30 uur bij het ontbijt werd klaagster onwel met zweten en koude rillingen. Haar Hb werd gemeten maar de metingen (3,4/3,6, 4,5 en 6,2) waren niet eenduidig omdat het meetinstrument niet betrouwbaar was. Om 9.00 uur is er telefonisch contact geweest tussen de recoveryverpleegkundige en verweerster.

De anesthesioloog heeft zich begeven naar de kliniek.

Verweerster heeft vervolgens laten weten dat zij telefonisch contact had gehad met

dr. H. en dat klaagster per ambulance naar het ziekenhuis I. te J. zou worden vervoerd. De anesthesioloog schreef hiervoor een schriftelijke overdracht met het verzoek het Hb van klaagster te meten en te beoordelen of een bloedtransfusie nodig was.

Aangekomen in J. bleek er onduidelijkheid over de komst van klaagster. Zij werd gezien door een SEH-arts en naar de verpleegafdeling chirurgie overgebracht.

Op 9 juni 2014 werd klaagster daar gezien door plastisch chirurg dr. K.. Bij opname was haar Hb 5, een dag later 4,5 en weer een dag later 5. Omdat haar Hb steeg is besloten dat een bloedtransfusie niet meer nodig was en op 10 juni 2014 werden de drains en het infuus verwijderd en werd klaagster ontslagen.   

Verweerster heeft contact gezocht met klaagster om afspraken te maken voor de nacontroles. Op 16 juni 2014 heeft klaagster verweerster per e-mail bericht dat zij geen contact meer wilde.

3. HET STANDPUNT VAN KLAAGSTER EN DE KLACHT

Klaagster verwijt verweerster -zakelijk weergegeven- het volgende:

1.    Zij had klaagster na de operatie niet alleen mogen laten en zij had het moment moeten kiezen waarop klaagster naar huis mocht. Tot die tijd had zij in de kliniek moeten blijven. Zij had dit niet mogen overlaten aan een verpleegkundige.

2.    Zij had direct na de melding van een nabloeding een ambulance moeten laten

bellen om klaagster te laten vervoeren naar een Spoedeisende Hulp in de directe omgeving. Zij nam grote risico’s door dit na te laten en zelf vanuit B. naar F. terug te komen.

3.    Zij verzuimde een operatieteam te mobiliseren inclusief een anesthesioloog.

4.    Zij was niet voorbereid op deze operatie en er bleek onvoldoende gedesinfecteerd operatiemateriaal beschikbaar te zijn.

5.    Zij kon niet opereren onder algehele narcose waardoor klaagster (te) veel heeft meegekregen van de hersteloperatie.

6.    Beide verpleegkundigen zijn geen operatieverpleegkundigen en zij kregen opdrachten om materiaal aan te reiken dan wel voor te bereiden waar ze onvoldoende bekend mee waren. Dat valt hun niet te verwijten. Zij hebben hun uiterste best gedaan.

7.    Na de tweede complicatie had verweerster klaagster sneller moeten doorsturen naar een ziekenhuis dat dichterbij lag. Zij had de kliniek niet mogen verlaten.

8.    Verweerster heeft blijkbaar geen overeenkomst met een ziekenhuis terwijl dit wel een verplichting is.

9.    Verweerster heeft onnodig veel risico’s genomen door klaagster zonder aankondiging en communicatie in te sturen naar het ziekenhuis in J.. Het medisch team daar was niet voorbereid op haar komst. 

4. HET STANDPUNT VAN VERWEERSTER

Verweerster voert -zakelijk weergegeven- het volgende aan.

Verweerster meent dat zij lege artis  te werk is gegaan. De operatie was goed gegaan en klaagster werd bewaakt door een ervaren recoveryverpleegkundige. Verweerster is de eerste uren nog gebleven en is altijd op haar mobiele nummer bereikbaar. Dat is overeenkomstig de door klaagster genoemde schriftelijke informatie.

Een nabloeding is een complicatie, die kan optreden en waar klaagster van te voren ook voor gewaarschuwd is. Die complicatie kan verweerster in de E. goed behandelen. Dit is onder plaatselijke verdoving gebeurd en met begeleiding van de ervaren verpleegkundige, die voldoende bekwaam is om de haak vast te houden. Verweerster heeft samen met deze verpleegkundige snel en adequaat de nabloeding verholpen. Anders dan klaagster stelt was verweerster niet onvoorbereid. Om geen tijd te verliezen heeft verweerster bij deze ingreep dezelfde haak gebruikt die zij eerder ook al had gebruikt. Dat zij de haak tussentijds voldoende met alcohol heeft gedesinfecteerd blijkt wel uit het feit dat er geen ontsteking is opgetreden. De reden dat verweerster dezelfde haak heeft gebruikt is dat er niet nog een gesteriliseerde operatieset voorhanden was. Dat is inmiddels aangepast in de praktijkvoering om een dergelijke situatie in de toekomst te voorkomen.

Verweerster heeft wel degelijk een overeenkomst, te weten met de maatschap Plastische Chirurgie van het Ziekenhuis I.. Verweerster heeft voorafgaand aan het insturen van klaagster contact gehad met de voorzitter van deze maatschap en dit afgestemd. Hij heeft vervolgens bevestigd dat klaagster was aangekomen. Dat de heer K. heeft gemeld dat zij niet op de hoogte waren van de komst van klaagster, vindt verweerster vervelend en zij begrijpt dat klaagster daarover ontstemd is. Verweerster meent evenwel dat haar hiervan geen tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt.

5. DE OVERWEGINGEN VAN HET COLLEGE

5.1

Het college wijst er allereerst op, dat het bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen er niet om gaat of dat handelen beter had gekund, maar om het geven van een antwoord op de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening, rekening houdend met de stand van de wetenschap ten tijde van het klachtwaardig geachte handelen en met hetgeen toen in de beroepsgroep ter zake als norm of standaard was aanvaard.

5.2

Het eerste klachtonderdeel is gegrond. Ter zitting heeft de recoveryverpleegkundige verklaard dat zij zelfstandig kan en mag bepalen op welk moment een patiënte in staat is om naar huis te gaan. Zeker wanneer, zoals hier, het de laatste patiënt betreft die nog niet naar huis is, komt het op haar neer om die inschatting te maken omdat het OK-team dan al is vertrokken. Verweerster heeft erkend dat de recoveryverpleegkundige zelfstandig beslist en dat, wanneer zij of de anesthesioloog nog in de kliniek is, zij het ontslag doorgaans wel samen bespreken of aftekenen. Het leggen van de verantwoordelijkheid over de beoordeling of een patiënte voldoende is opgeknapt van de operatie om naar huis te gaan in de handen van de recoveryverpleegkundige is in strijd met de vooraf gegeven patiëntinformatie en artikel 4.8 onder b van de Leidraad plastische chirurgie en esthetische behandelingen in particuliere klinieken (laatste revisie 5 april 2013) van de Nederlandse Vereniging van Plastische chirurgie (hierna: de leidraad). Deze leidraad geeft de actuele beroepsnormen weer van de beroepsgroep waartoe verweerster behoort en binden haar dus.

5.3

Ook het tweede klachtonderdeel is gegrond. Desgevraagd heeft de recoveryverpleegkundige verklaard dat zij verweerster [rond 23.00 uur, college] telefonisch heeft gemeld dat de borst van klaagster harder was en groter, maar dat zij geen diagnose kon stellen. Verweerster heeft verklaard dat zij direct nadat de recoveryverpleegkundige haar had gezegd dat er een nabloeding was, rechtsomkeert heeft gemaakt. Niet is echter gebleken dat verweerster heeft uitgevraagd hoe de toestand van klaagster op dat moment was noch dat de verpleegkundige op dat moment metingen (bloeddruk, hartslag, pijn) had verricht om de ernst van de situatie in te kunnen schatten. Verweerster was al bijna thuis zodat zij zeker een uur onderweg zou zijn (F.-B., ongeveer 85 km). Door zich niet te vergewissen van de toestand van klaagster terwijl zij wist dat het nog geruime tijd zou duren voordat zij ter plaatse was en zou kunnen opereren, heeft zij onverantwoorde risico’s genomen. Daar komt bij dat verweerster heeft verzuimd adequate voorbereidingen te treffen voor de behandeling van de nabloeding. Zo heeft zij het operatieteam niet terstond opgeroepen, terwijl onvoldoende is gebleken dat dat onmogelijk was of nutteloos. Het enkele feit dat verweerster nabloedingen nu eenmaal altijd zelf opereert, doet aan het voorgaande niet af.

5.4

Ook het derde klachtonderdeel treft doel. Een nabloeding dient operatief te worden behandeld en daarom dient er bevoegd en bekwaam personeel aanwezig te zijn om die operatie uit te voeren. Dat personeel was niet aanwezig. Verweerster heeft zich tijdens de operatie, die lang heeft geduurd en waarbij meerdere keren plaatselijke verdoving is gegeven, laten assisteren door de recoveryverpleegkundige die naar eigen zeggen geen ervaring en geen opleiding heeft om bij een OK te assisteren.

De verpleegkundige heeft geassisteerd door de spreidhaak vast te houden en benodigdheden aan te reiken, zoals hechtdraad. Daarbij is het zeer de vraag of de verpleegkundige op de hoogte was van en heeft voldaan aan de vereiste hygiëneregels (vgl. artikel 4.2 van de leidraad).

5.5

Vaststaat dat de gebruikte haak niet volgens de daarvoor geldende hygiëneregels is gedesinfecteerd zodat ook klachtonderdeel 4 in zoverre slaagt. Omdat het college wel wil aannemen dat het operatief verhelpen van een nabloeding voor verweerster routine is, kan niet worden geoordeeld dat verweerster zelf onvoldoende op de operatie was voorbereid. In zoverre faalt dit klachtonderdeel.

5.6

Het vijfde klachtonderdeel is gegrond in die zin dat verweerster naar eigen zeggen vanaf 2008 een beleid voert bij nabloedingen dat in de beroepsgroep zeer ongebruikelijk is. Nabloedingen na een operatie waar een grote wond is gemaakt, worden in de beroepsgroep operatief onder algehele narcose verholpen. Bij het verwijderen van een borstprothese ontstaat een grote wond in de borst en een nabloeding is een normale complicatie. Lokale anesthesie, zoals door verweerster toegepast, wordt in de beroepsgroep niet voorgestaan vanwege de daaraan verbonden risico’s bij aanmerkelijk bloedverlies en instabiliteit van de patiënte, het ongemak van de patiënte, die immers de operatie meemaakt, en de vooraf moeilijk in te schatten duur van de operatie. In dit geval hebben deze risico’s zich allemaal verwezenlijkt: naar inschatting van de anesthesioloog heeft klaagster anderhalf tot twee liter bloed verloren, heeft de operatie ongeveer anderhalf uur geduurd en is klaagster getraumatiseerd door het moeten meemaken van de operatie. Volgens klaagster heeft de operatie niet alleen lang geduurd, maar heerste er een gespannen, paniekerige sfeer, had verweerster moeite de bloeding te stoppen, is gezegd dat er onvoldoende gesteriliseerd operatiemateriaal was, werden de recoveryverpleegkundige en de gastvrouw regelmatig toegesnauwd als ze iets niet direct konden vinden en heeft verweerster aan het einde gezegd dat het voor haar ook een spannende operatie was. Een en ander heeft verweerster niet (voldoende) bestreden. Ook is onvoldoende bestreden dat klaagster tijdens de operatie af en toe wegzakte (‘gevoel flauw te vallen’) en trillend op de operatietafel lag. Volgens verweerster ‘moest zij roeien met de riemen die zij had’, daarbij uit het oog verliezend dat zij zelf de volstrekt ontoereikende omstandigheden waarin zij verkeerde, heeft veroorzaakt, althans heeft laten bestaan en desalniettemin besloten heeft de operatie toch zo uit te voeren.

5.7

Uit het voorgaande volgt dat ook klachtonderdeel 6 slaagt omdat verweerster zich heeft laten bijstaan door de recoveryverpleegkundige die als onbevoegd en onbekwaam moet worden beschouwd om assistentie te verlenen. Omdat niet is komen vast te staan de stelling van klaagster dat de gastvrouw, die geen zorgopleiding heeft genoten, ook assistentie heeft verleend, is het klachtonderdeel in zoverre ongegrond. Wat de operatie en de organisatie ervan betreft, is het het college nog opgevallen dat er van de tweede OK niet eerder verslag is gemaakt dan nadat verweerster dat alsnog op verzoek van het college heeft opgesteld en dat er geen time-out-procedure heeft plaatsgevonden.

5.8

Om klachtonderdeel 7 – had verweerster klaagster in de ochtend naar de dichtstbijzijnde SEH moeten sturen in plaats van naar J. – te kunnen beoordelen, dient het college zich een beeld te kunnen vormen van de toestand op dat moment van klaagster. Daartoe ontbreken voldoende gegevens. Uit de summiere aantekeningen van de recoveryverpleegkundige maakt het college op dat het Hb is gemeten, maar niet is gebleken dat aantekening is gehouden over bloeddruk, hartslag, pijnbeleving en algemene toestand of dat tensie en pols tussentijds gemeten zijn na de tweede OK. In zijn overdrachtformulier tekent de anesthesioloog aan dat een Hb van 3,4 is gemeten en dat klaagster ‘niet tachycard is wel bleek, klam en heeft last van duizeligheid’ zodat het wel aannemelijk is dat klaagster er niet best aan toe was, maar niet kan worden geconcludeerd dat er sprake was van acute nood. De verslaglegging is daarvoor te summier. Daarom kan niet worden geoordeeld dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld door het ertoe te leiden dat klaagster werd opgenomen in het ziekenhuis in J.. In hetzelfde klachtonderdeel verwijt klaagster verweerster dat zij na de tweede OK naar huis is gegaan. Voor het oordeel daarover verwijst het college naar 5.2. Omdat er geen adequaat operatieverslag is en geen aantekening is gehouden van de toestand van patiënte na de tweede OK, kan het college niet vaststellen of het verantwoord was klaagster na de tweede OK aan de zorg van de recoveryverpleegkundige over te dragen of dat verweerster zekerheidshalve in de kliniek beschikbaar had moeten blijven.

5.9

Wel oordeelt het college de overeenkomst die verweerster heeft gesloten met de maatschap van dr. H. ontoereikend om te kunnen voldoen aan het vereiste van artikel 5.2.a van de leidraad. Hierin staat immers dat de kliniek, in deze verweerster, moet zorgen voor een overeenkomst met een regulier ziekenhuis voor calamiteiten en noodgevallen. Een overeenkomst met een ziekenhuis in J. kan niet voorzien in acute zorg omdat de afstand tussen F. en J. (ongeveer 75 km) eenvoudig te groot is voor spoedgevallen. Klachtonderdeel 8 treft daarom doel.

5.10

Zoals hiervoor onder 5.8 is geoordeeld, is verweerster wegens gebrek aan voldoende informatie niet te verwijten dat zij klaagster naar het ziekenhuis in J. heeft gestuurd. Verweerster heeft dr. H. ingelicht over de komst van klaagster en de anesthesioloog heeft een overdracht geschreven. De omstandigheid dat bij aankomst in J. de SEH noch de maatschap van dr. H. ervan op de hoogte was dat er een overeenkomst was met het instituut van verweerster en/of de komst van klaagster, heeft verweerster niet veroorzaakt. Zij heeft er kennelijk op vertrouwd dat dr. H. de benodigde informatie zou doorgeven aan zijn collega’s en de SEH. Dit een en ander levert geen tuchtrechtelijk verwijt op. Klachtonderdeel 9 is daarom ongegrond.

5.11

Uit het voorgaande volgt dat verweerster de organisatie van de door haar verleende zorg niet op orde heeft, onnodig veel en ernstige risico’s heeft gelopen door haar handelwijze en zich niet houdt aan de voor haar beroepsgroep geldende normen. Desgevraagd heeft verweerster geen genoegzame verklaringen gegeven voor het beleidsmatig afwijken van die normen (wat betreft de lokale anesthesie en een overeenkomst voor spoedeisende hulp) en het afwijken in dit geval (OK zonder bevoegd personeel, hygiëneregels niet nageleefd). Verder heeft het college moeten constateren dat verweerster geen inzicht heeft in haar kwalijke handelen. Integendeel, zij blijft overtuigd van de juistheid van haar handelen en beleid. In de praktijkvoering heeft zij wel enkele verbeteringen doorgevoerd, namelijk dat zij of de anesthesist aanwezig blijft in de kliniek totdat de laatste patiënt is ontslagen en dat er steeds een extra set gesteriliseerd operatiemateriaal aanwezig is. Verder laat zij patiënten ‘tekenen’ voor de behandeling van nabloedingen onder lokale anesthesie, kennelijk vanuit de onjuiste veronderstelling dat dit haar een vrijbrief geeft voor haar ongebruikelijke handelwijze.

5.12

Omdat het college geen aanknopingspunten heeft ontdekt die bij verweerster tot de noodzakelijk geachte verandering van haar gedrag en opvattingen zouden kunnen leiden, en verweersters handelen als bijzonder laakbaar, onzorgvuldig en onprofessioneel dient te worden gekwalificeerd, kan niet worden volstaan met een beperkte maatregel. Verder betrekt het college bij het opleggen van de maatregel de waarschuwing die verweerster in 2012 van dit college heeft gekregen vanwege een onzorgvuldig uitgevoerde borstoperatie (zaak 275/2011). Daar komt nog bij dat verweerster in haar slotwoord heeft verklaard in het vervolg exact hetzelfde te blijven doen als wat zij in het onderhavige geval heeft gedaan, maar haar patiënten beter te gaan selecteren. In de optiek van verweerster, ook blijkend uit haar brief d.d.

6 augustus 2014 aan de huisarts van klaagster met cc aan klaagster, is het onderhavige geval immers aan klaagster te wijten. Deze mededeling was voor klaagster, die tobt met een posttraumatisch stressstoornis vanwege het onprofessionele handelen van verweerster, zichtbaar krenkend. Ook het college vond dit laatste woord van verweerster schokkend.

5.13

Op grond van al het bovenstaande is het college van oordeel dat een onvoorwaardelijke schorsing voor de maximale duur van een jaar recht doet aan de ernst van het falen in menig opzicht van verweerster. Daarnaast zal het college de publicatie van deze beslissing gelasten”.

3.        Vaststaande feiten en omstandigheden

Voor de beoordeling van het hoger beroep gaat het Centraal Tuchtcollege uit van de feiten zoals weergegeven in de beslissing in eerste aanleg, welke weergave in hoger beroep niet is bestreden.

4.        Beoordeling van het hoger beroep

Omvang hoger beroep

4.1       De in eerste aanleg door klaagster ingediende klacht bestaat uit negen klachtonderdelen. Het verwijt van klaagster dat de plastisch chirurg klaagster sneller had moeten doorsturen naar een ziekenhuis dat dichterbij lag en de kliniek niet had mogen verlaten (klachtonderdeel 7) en haar verwijt dat de plastisch chirurg onnodig veel risico’s heeft genomen door klaagster zonder aankondiging en communicatie in te sturen naar het ziekenhuis te J., waar het medisch team niet was voorbereid op haar komst (klachtonderdeel 9), zijn in hoger beroep niet meer aan de orde, nu tegen de ongegrondverklaring van deze klachtonderdelen geen hoger beroep is ingesteld.

4.2       De plastisch chirurg is in hoger beroep gekomen van de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege ter zake van de klachtonderdelen 1 tot en met 6 en 8. Het hoger beroep strekt ertoe dat deze klachtonderdelen alsnog geheel of gedeeltelijk ongegrond worden verklaard en beoogt voorts – bij gegrondverklaring van de klacht – de oplegging van een minder zware maatregel dan de in eerste aanleg door het Regionaal Tuchtcollege aan de plastisch chirurg opgelegde maatregel van schorsing van de inschrijving in het BIG-register voor de duur van één jaar.

4.3       Klaagster heeft verweer gevoerd en heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

4.4       Het Centraal Tuchtcollege overweegt als volgt.

Klachtonderdeel 1 (ontslag en achterwacht arts)

4.5       Wat betreft de zorg voor klaagster na de explantatie-operatie van 7 juni 2014 (verwijdering van borstprothesen) en het ontslag overweegt het Centraal Tuchtcollege als volgt.

4.6       De operatie van klaagster heeft plaatsgevonden in de E. te F., een particuliere kliniek waar de plastisch chirurg namens het L. operatieruimte had gehuurd voor (onder meer) het verrichten van bovengenoemde explantatie-operatie van klaagster. Deze operatie begon rond 19.00 uur en eindigde om 20.40 uur. Daarna is klaagster naar de verkoeverkamer gebracht, waar zij onder controle stond van de anesthesioloog en werd bewaakt door de recovery-verpleegkundige. Vervolgens is klaagster overgebracht naar de verpleegafdeling. Om 22.00 uur is de plastisch chirurg bij klaagster aan het bed geweest, waarna de plastisch chirurg haar akkoord heeft gegeven voor klaagsters ontslag. Het Centraal Tuchtcollege heeft geen, althans onvoldoende, aanknopingspunten dat de door de plastisch chirurg gevolgde ontslagprocedure niet zou voldoen aan de ontslagprocedure als omschreven in artikel 4.8 van de Leidraad plastische chirurgie en esthetische behandelingen in particuliere klinieken (laatste revisie 5 april 2013) van de Nederlandse Vereniging voor Plastische Chirurgie (hierna de Leidraad). De plastisch chirurg heeft vervolgens – zoals te doen gebruikelijk – aan de (recovery-)verpleegkundige doorgegeven dat klaagster naar huis mocht, zodra klaagster zich goed genoeg voelde en er geen sprake was van aanwijzingen dat zij nog niet in staat was naar huis te gaan. Daarmee is de plastisch chirurg niet afgeweken van de standaard.

4.7       Na het ontslag van klaagster heeft de plastisch chirurg haar werkzaamheden afgerond en heeft zij de E. verlaten om naar huis te gaan. Het Centraal Tuchtcollege overweegt dat na operaties altijd complicaties mogelijk zijn. De plastisch chirurg dient dan ook bij iedere operatieve ingreep voorbereid te zijn op eventuele complicaties en bij de organisatie van de zorg voor haar patiënten, zolang die verblijven in de kliniek, ervoor zorg te dragen dat patiënten – mocht zich een complicatie voordoen – binnen een aanvaardbare termijn door een (andere) arts kunnen worden gezien. Naar het oordeel van het Centraal Tuchtcollege had de plastisch chirurg (als directeur van het L.) de zorg niet zo georganiseerd dat klaagster, nadat de plastisch chirurg de E. had verlaten, binnen een aanvaardbare termijn door een arts kon worden gezien. Immers, met het verlaten van de E. door de plastisch chirurg kwam de algemene (medische) zorg voor klaagster – die na haar ontslag nog op de verpleegafdeling verbleef – te liggen bij het enige op dat moment nog in de E. aanwezige medische personeelslid van het L., te weten de (recovery-)verpleegkundige. Hoewel het Centraal Tuchtcollege zonder meer aanneemt dat de betreffende (recovery-)verpleegkundige zeer ervaren is in het bewaken van patiënten, is zij geen arts. Voorts is komen vast te staan (zie hierna onder 4.16) dat het L. geen afdoende schriftelijke afspraak had met een nabijgelegen regulier ziekenhuis op basis waarvan patiënten – bij afwezigheid van de plastisch chirurg of de enige andere arts (anesthesioloog) van het L. – bij calamiteiten of noodgevallen steeds door een arts in een ziekenhuis zouden kunnen worden opgevangen. Daarbij is ter zitting in hoger beroep gebleken dat de plastisch chirurg zelf op 80 kilometer afstand van de E. woont. Aldus ontbreekt het in de organisatie van het L. structureel aan een adequate regeling op basis waarvan bij eventuele complicaties de continuïteit van de nazorg voor de patiënt verzekerd is, zoals bepaald in artikel 5.1 van de Leidraad. Bezien tegen deze achtergrond had de plastisch chirurg op 7 juni 2014 als laatst aanwezige arts in de E. de zorg voor klaagster niet aan de (recovery-)verpleegkundige mogen overlaten, hoe ervaren laatstgenoemde ook was. Door aldus te handelen is de plastisch chirurg tekortgeschoten in de zorg die zij als plastisch chirurg (en als directeur van het L.) aan klaagster had behoren te verlenen.

4.8       De omstandigheid dat er bij het ontslag van klaagster om 22.00 uur geen sprake was van bijzonderheden die duidden op een mogelijke nabloeding of een andere complicatie, maakt dit niet anders. Ook het feit dat de plastisch chirurg de E. pas heeft verlaten nadat klaagster al officieel was ontslagen, doet aan het voorgaande niet af, nu klaagster de E. nog niet had verlaten en klaagster nog aan de (algemene) zorg van het L. was onderworpen.

4.9       Dit betekent dat het Centraal Tuchtcollege evenals het Regionaal Tuchtcollege het eerste klachtonderdeel gegrond acht, zij het op andere gronden.

Klachtonderdeel 2 (beoordeling spoedeisendheid bij complicatie; inschakelen spoedeisende hulp of zelf oplossen)

4.10     Nadat de plastisch chirurg de E. had verlaten is zij onderweg naar huis in de auto gebeld door de (recovery-)verpleegkundige met de mededeling dat klaagsters pijn toenam, dat de ene borst dikker was dan de andere en dat sprake zou kunnen zijn van een nabloeding. Nabloedingen na explantaties komen vaker voor en zijn niet per definitie spoedeisend. Dit blijkt ook uit het gegeven dat het verhelpen van een nabloeding na een explantatie voor de plastisch chirurg een routine operatie is.

De (recovery-)verpleegkundige maakte geen melding van bijzonderheden, bijvoorbeeld van shock of van wegvallen van klaagster. De melding van de

(recovery-)verpleegkundige wees dan ook niet op een acute situatie bij klaagster.

Met het Regionaal Tuchtcollege is het Centraal Tuchtcollege van oordeel dat het in zijn algemeenheid aanbeveling verdient de toestand van de patiënt (bloeddruk, hartslag en pijn) nader uit te vragen om zo de ernst van de situatie beter te kunnen inschatten. In het onderhavige geval acht het Centraal Tuchtcollege het echter niet verwijtbaar dat de plastisch chirurg dat niet heeft gedaan.

De (recovery-)verpleegkundige is – mede vanwege haar jarenlange werkzaamheden in die functie(s) in een kliniek in M. – zeer ervaren in het zelfstandig op urgentie beoordelen van patiënten. Ook werkten de plastisch chirurg en de

(recovery-)verpleegkundige op dat moment al ongeveer een jaar nauw samen in hetL.. Naar het oordeel van het Centraal Tuchtcollege mocht de plastisch chirurg dan ook afgaan op de inschatting van de recovery-verpleegkundige dat er geen sprake was van een acute situatie.Onder voormelde omstandigheden was er voor de plastisch chirurg geen aanleiding om direct na de melding van een mogelijke nabloeding door de (recovery-)verpleegkundige een ambulance te (laten) bellen om klaagster te laten vervoeren naar een Spoedeisende Hulp Afdeling van een regulier ziekenhuis in de directe omgeving. Evenmin kan worden gezegd dat de plastisch chirurg (te) grote risico’s heeft genomen door geen ambulance te bellen toen zij gebeld werd door de (recovery-)verpleegkundige, en te besluiten  terug te keren naar de E. te F. om de nabloeding zelf operatief te verhelpen.

4.11     Dit betekent dat het Centraal Tuchtcollege – anders dan het Regionaal Tuchtcollege – het tweede klachtonderdeel ongegrond acht.

Klachtonderdeel 3 (hersteloperatie onder lokale verdoving of mobiliseren volledig operatieteam, inclusief een anesthesioloog).

4.12     Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting in hoger beroep is voor het Centraal Tuchtcollege komen vast te staan dat de organisatie van de operatieve nazorg van patiënten van het L. standaard is ingesteld op het verrichten van ingrepen onder lokale anesthesie. In de operatiekamer wordt de lokale verdoving door de plastisch chirurg zelf toegediend, waarbij de plastisch chirurg wordt bijgestaan door een operatieassistente. Anders dan het Regionaal Tuchtcollege acht het Centraal Tuchtcollege het niet aanstonds onverantwoord dat een hersteloperatie ter behandeling van een complicatie van een nabloeding na een explantatie-operatie onder lokale verdoving wordt uitgevoerd. In dit licht bezien kan de plastisch chirurg niet worden verweten dat zij niet meteen na de melding van een nabloeding is overgegaan tot het mobiliseren van een volledig operatieteam inclusief een anesthesioloog. Anders dan het Regionaal Tuchtcollege acht het Centraal Tuchtcollege dit klachtonderdeel dan ook ongegrond.

Klachtonderdeel 4 ((on)voldoende voorbereid op hersteloperatie)

4.13     Wat betreft de klacht dat de plastisch chirurg niet was voorbereid op de hersteloperatie, overweegt het Centraal Tuchtcollege als volgt. De plastisch chirurg heeft in de procedure in hoger beroep erkend dat zij bij de hersteloperatie geen beschikking had over een gesteriliseerde operatiehaak en dat zij de eerder gebruikte operatiehaak opnieuw heeft moeten reinigen en desinfecteren alvorens de hersteloperatie te kunnen uitvoeren. Ook heeft zij erkend dat zij bij de hersteloperatie – anders dan te doen gebruikelijk – niet werd bijgestaan door een operatie-assistente, maar in plaats daarvan werd geassisteerd door de nog in de E. aanwezige (recovery-)verpleegkundige. In die zin was de voorbereiding op de hersteloperatie, zowel wat betreft de daarvoor vereiste instrumenten als wat betreft de vereiste personele bezetting, niet adequaat. Niet is gebleken dat de plastisch chirurg zelf onvoldoende op de hersteloperatie was voorbereid. Nabloedingen na explantaties komen vaker voor en het verhelpen daarvan is voor de plastisch chirurg een routine-operatie. Er zijn geen aanwijzingen dat de plastisch chirurg niet bevoegd of bekwaam zou zijn deze ingreep zelfstandig uit te voeren. In zoverre is dit klachtonderdeel dan ook ongegrond. Dit betekent dat het Centraal Tuchtcollege evenals het Regionaal Tuchtcollege van oordeel is dat dit klachtonderdeel gedeeltelijk gegrond is.

Klachtonderdeel 5 (informed consent en hersteloperatie onder lokale of algehele verdoving)

4.14     Zoals reeds is overwogen bij de bespreking van klachtonderdeel 3 acht het Centraal Tuchtcollege het niet aanstonds onverantwoord dat een hersteloperatie ter behandeling van een complicatie van een nabloeding na een explantatie-operatie onder lokale verdoving wordt uitgevoerd. In die zin stuit het bij het Centraal Tuchtcollege niet op bezwaren dat klaagsters hersteloperatie onder lokale verdoving is uitgevoerd. Wel had de plastisch chirurg voorafgaand aan de herstelingreep klaagster expliciet moeten informeren dat zij voornemens was de herstelingreep onder lokale verdoving uit te voeren en dat de mogelijkheid bestond om de ingreep onder algehele narcose te laten plaatsvinden. In dat geval had klaagster voorafgaand aan de herstelingreep – en geïnformeerd –  zelf kunnen bepalen of zij al dan niet iets van de operatie wilde ‘meemaken’. Door na te laten aan klaagster deze keuzemogelijkheid te bieden en door klaagster als een vaststaand feit met een ingreep onder lokale verdoving te confronteren, is de plastisch chirurg tekortgeschoten in de zorg voor klaagster. In die zin acht het Centraal Tuchtcollege dit klachtonderdeel gegrond.

Klachtonderdeel 6 (onbevoegde en onbekwame operatie assistente(s))

4.15     Zoals reeds overwogen bij de bespreking van klachtonderdeel van 4 heeft de plastisch chirurg erkend dat zij bij de hersteloperatie – anders dan te doen gebruikelijk – niet werd bijgestaan door een operatie-assistente, maar in plaats daarvan werd geassisteerd door de nog in de E. aanwezige (recovery-)verpleegkundige. Niet in geschil is dat de (recovery-)verpleegkundige gedurende de hersteloperatie de spreidhaak heeft vastgehouden en benodigdheden, waaronder hechtdraad, heeft aangereikt. Het Centraal Tuchtcollege heeft in hoger beroep vastgesteld dat de betreffende (recovery-)verpleegkundige niet bevoegd of bekwaam was om als operatie-assistente bijstand te verlenen bij de hersteloperatie. Daarbij gaat het Centraal Tuchtcollege ervan uit dat de (recovery-)verpleegkundige niet op de hoogte was van de hygiëneregels als bedoeld in artikel 4.2 van de Leidraad. Het Centraal Tuchtcollege heeft niet kunnen vaststellen of de hygiëneregels al dan niet zijn gevolgd. Dat de plastisch chirurg naast de (recovery-)verpleegkundige tijdens de herstelingreep eveneens zou zijn bijgestaan door de gastvrouw van het L., die, zoals klaagster heeft aangevoerd, geen enkele zorgopleiding heeft genoten, is niet komen vast te staan. Uit het voorgaande volgt dat het Centraal Tuchtcollege, evenals het Regionaal Tuchtcollege, dit klachtonderdeel in zoverre gegrond verklaart.

Klachtonderdeel 8 (ontbreken overeenkomst met nabijgelegen regulier ziekenhuis voor opvang noodgevallen)

4.16     Met het Regionaal Tuchtcollege is het Centraal Tuchtcollege van oordeel dat de afspraak die de plastisch chirurg namens het L. heeft gemaakt met dr. H. van de Maatschap Plastische Chirurgie van het Ziekenhuis I. te J., zoals blijkt uit de brief van 20 november 2013, niet kan worden aangemerkt als een schriftelijke afspraak omtrent de opvang in een regulier ziekenhuis voor onder meer calamiteiten en noodgevallen als bedoeld in artikel 5.2 sub a van de Leidraad. De afstand van de E. in F. naar het I. ziekenhuis te J. (75 km) is eenvoudigweg te groot om in spoedgevallen in acute zorg te kunnen voorzien. De plastisch chirurg heeft dit ter zitting in hoger beroep erkend. Dit klachtonderdeel is gegrond.

4.17     Uit het voorgaande volgt dat het Centraal Tuchtcollege evenals het Regionaal Tuchtcollege de klachtonderdelen 1 (over ontslag en achterwacht arts), 6 (over onbevoegde en onbekwame operatieassistente(s)) en 8 (over ontbreken overeenkomst met nabijgelegen regulier ziekenhuis voor opvang noodgevallen) gegrond acht en het klachtonderdeel 4 (onvoldoende voorbereid zijn op hersteloperatie) gedeeltelijk gegrond acht, en dat het Centraal Tuchtcollege – anders dan het Regionaal Tuchtcollege – de klachtonderdelen 2 (over beoordeling spoedeisendheid bij complicatie en inschakelen spoedeisende hulp of zelf oplossen) en 3 (over hersteloperatie onder lokale verdoving of mobiliseren volledig operatieteam, inclusief een anesthesioloog) geheel ongegrond en klachtonderdeel 5 (informed consent en hersteloperatie onder lokale of algehele verdoving) gedeeltelijk gegrond acht.

Maatregel

4.18     Al met al is het Centraal Tuchtcollege van oordeel dat de plastisch chirurg ernstig tuchtrechtelijk verwijtbaar is tekortgeschoten in de zorg ten opzichte van klaagster. De organisatie van de operatieve nazorg in het L. laat duidelijk te wensen over. Uit de stukken komt een beeld naar voren van een particuliere kliniek (zelfstandig behandelcentrum) met een beperkte bezetting van medisch personeel, waarvan de organisatie van een adequate nazorg in geval van complicaties kwetsbaar afhankelijk is van de aanwezigheid van de plastisch chirurg en de bereidheid van het overige medische personeel om ingeval van een last-minute oproep naar de kliniek te komen. Daarbij ontbreekt het structureel aan een adequate regeling op basis waarvan bij eventuele complicaties de continuïteit van de nazorg voor de patiënt door een arts van een nabijgelegen regulier ziekenhuis verzekerd is. Ook is de organisatie te zeer ingesteld op operatieve nazorg op basis van lokale verdoving, waarbij de mogelijkheid om na een complicatie onder algehele verdoving te worden geopereerd niet standaard als alternatief aan de patiënt kan worden aangeboden of met de patiënt wordt besproken. In die zin is de postoperatieve nazorg van het L., van welk instituut de plastisch chirurg directeur is,, uitgaande van de situatie ten tijde van de operatie van klaagster, onvoldoende op orde.

4.19     Uit een oogpunt van adequate zorgverlening acht het Centraal Tuchtcollege de maatregel van voorwaardelijke schorsing van de inschrijving in het BIG-register voor de duur van vier maanden onder de hierna in het dictum vermelde algemene voorwaarde passend en geboden. Daarbij heeft het Centraal Tuchtcollege in acht genomen dat in hoger beroep een aantal klachtonderdelen (2, 3 en 5), anders dan in eerste aanleg, niet of slechts gedeeltelijk gegrond zijn verklaard. Voor zover deze maatregel moet worden aangemerkt als een relatieve verzwaring van de aan de plastisch chirurg opgelegde maatregel ten opzichte van de door het Regionaal Tuchtcollege in eerste aanleg aan de plastisch chirurg opgelegde maatregel, overweegt het Centraal Tuchtcollege dat het met eenparigheid van stemmen tot dit oordeel is gekomen (artikel 74 lid 5 Wet BIG). Het Centraal Tuchtcollege beoogt met voormelde maatregel aan de plastisch chirurg een duidelijk signaal af te geven om aldus te voorkomen dat patiënten nog verder aan een structureel tekortschietende organisatie van de operatieve nazorg in het L. worden blootgesteld.

4.20     Het Centraal Tuchtcollege trekt op grond van de stukken en de behandeling in hoger beroep niet in twijfel dat de plastisch chirurg vakbekwaam is, dat zij het beste met haar patiënten voor heeft en dat zij ook bijzonder betrokken is bij haar patiënten. Voorts heeft het Centraal Tuchtcollege kunnen vaststellen dat de plastisch chirurg naar aanleiding van het onderzoek van de Inspectie voor de Gezondheidszorg concrete stappen heeft ondernomen om de organisatie op diverse punten structureel te verbeteren. Ter zitting in hoger beroep heeft de plastisch chirurg meegedeeld dat zij thans reeds bij de intake met de patiënt  bespreekt of zij ingeval van een hersteloperatie de voorkeur geeft aan lokale dan wel algehele verdoving en dat beide alternatieven aan de patiënt worden aangeboden. Voorts zorgt de plastisch chirurg er thans voor dat ofwel zijzelf ofwel de anesthesioloog van het L. in de kliniek aanwezig is tot de laatste patiënt de kliniek heeft verlaten. Echter, gelet op het belang van een zorgvuldige organisatie van de operatieve nazorg in particuliere klinieken ziet het Centraal Tuchtcollege in deze positieve aanpassingen in de organisatie van kliniek geen aanleiding om de plastisch chirurg een minder zware maatregel op te leggen. Het Centraal Tuchtcollege heeft in zijn overwegingen betrokken dat de plastisch chirurg ter zitting heeft verklaard dat zij voornemens is haar werkzaamheden in de kliniek voort te zetten en dat het Centraal Tuchtcollege niet heeft kunnen vaststellen dat de door de plastisch chirurg ondernomen concrete stappen reeds ertoe hebben geleid dat het L. voldoende op orde is wat betreft de punten genoemd in de hiervoor besproken gegrond verklaarde klachtonderdelen.

4.21     Om redenen aan het algemeen belang ontleend zal de publicatie van deze beslissing worden gelast.

5.        Beslissing

Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

vernietigt de beslissing waarvan hoger beroep voor

zover daarin klachtonderdelen 2, 3 en 5 gegrond zijn

verklaard en voor zover daarin aan de plastisch chirurg

de maatregel van schorsing van de inschrijving in het

BIG-register voor de duur van één jaar is opgelegd;

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

verklaart klachtonderdelen 2 en 3 alsnog ongegrond;

verklaart klachtonderdeel 5 gedeeltelijk gegrond zoals omschreven in rechtsoverweging 4.14;

legt de plastisch chirurg de maatregel op van schorsing van haar inschrijving in het BIG-register voor de duur van vier maanden en bepaalt dat deze schorsing niet ten uitvoer zal worden gelegd dan nadat het Centraal Tuchtcollege zulks heeft gelast op grond van het feit dat zij, de plastisch chirurg zich, binnen de proeftijd die hierbij wordt bepaald op twee jaar, schuldig heeft gemaakt aan enig handelen of nalaten dat in strijd is met de goede zorg die zij als plastisch chirurg behoort te betrachten dan wel in strijd is met het belang van de individuele gezondheidszorg;

bepaalt dat de proeftijd ingaat op de dag van deze uitspraak

en dat de proeftijd uitsluitend loopt gedurende de periode(n)

dat de plastisch chirurg is ingeschreven in het BIG-register;

bepaalt dat indien de plastisch chirurg de voorwaarde niet naleeft, het Centraal Tuchtcollege alsnog de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de hiervoor opgelegde maatregel kan gelasten;

verwerpt het hoger beroep voor het overige;

bepaalt dat deze beslissing op de voet van artikel 71 Wet BIG zal worden bekendgemaakt in de Staatscourant, en zal worden aangeboden aan het Tijdschrift voor Gezondheidsrecht, Gezondheidszorg Jurisprudentie en Medisch Contact, met het verzoek tot plaatsing.

Deze beslissing is gegeven door: mr. T.L. de Vries, voorzitter, mr. A. Smeeïng-van Hees

en mr. M. Wigleven, leden-juristen en dr. G.J. Clevers en drs. R.E.F. Huijgen, leden-beroepsgenoten en mr. D. Brommer, secretaris, en uitgesproken ter openbare zitting

van 19 mei 2016.  Voorzitter  w.g.               Secretaris  w.g.

 

Stevens , H.P.J.D

Naam
Stevens , H.P.J.D (Hieronymus Petrus Josephus Dieudonné) roepnaam Jeroen
Geslacht
Man
BIG-nummer
99038726001
Beroepsgroep
Artsen
Specialisme
Plastische chirurgie (plastisch chirurg)
Maatregel
Waarschuwing Tuchtcollege Den Haag 11 aug 2015
in verband met tekortschieten:
– informatievoorziening: arts heeft eigen verantwoordelijkheid tav informed- consent,
– documentatie: consult ivm ernstige pijnklachten na behandeling niet geregistreerd in dossier  en
– nazorg , heeft zich reactief opgesteld na bekend worden van hevig pijnklachten en onvoldoende pro-actief, had initiatief moeten nemen wat betreft communicatie over oa pijnbestrijding en voorlichting.
——–
Via LinkedIn publiceert Stevens dat hij verschillende nieuwe plastisch-chirurgische technieken geintroduceerd heeft in Nederland en dat hij zeer regelmatig collega’s operaties laat bijwonen.
Ook publiceert hij dat hij een eigen bedrijf heeft Surgytec hoewel dit bij de KvK uitgeschreven is.

waardering zorgkaartnederland.nl 21 april 2016

Gemiddeld cijfer 1.8

Toelichting

Liposculpture ondergaan in de Bergman Clinics door dokter J. Stevens. Geen eerlijke arts en geen eerlijke kliniek. Arts heeft waarschuwing van het regionale tuchtcollege gekregen. Zeer slechte nazorg en onkundig verplegend personeel tijdens mijn verblijf. Klachtencommissie van de Bergman Clinics heeft mijn ‘klacht’ beoordeeld op o.a. gemanipuleerde voor en na foto’s aangeleverd door de heer Stevens zelf. De bittere waarheid is dat mijn lichaam is verminkt en ik nu een zwaar beschadigde zenuw heb. Arts en Kliniek geven geen antwoorden over wat er daadwerkelijk is gebeurd en lopen weg voor de waarheid. Als wat ik schrijf staat zwart op wit en is ook bij de directeur bekend. De heer Stevens komt zijn afspraken niet na en heeft nooit zijn verontschuldiging aangeboden.

Waardering op zorgkaartnederland.nl 28 april 2016

Gemiddeld cijfer 1.7
Toelichting

Lipofilling ondergaan bij de Bergman Clinics in Den Haag (nu Rijswijk). De heer Stevens komt overeengekomen afspraken niet na. Hij weigerde bij mij de behandeling uit te voeren zoals eerder overeengekomen. Hij raakte geïrriteerd toen ik hem hieraan herinnerde. Tijdens mijn behandeling zijn er twee ‘gasten’ zonder mijn toestemming aanwezig geweest. Ik heb hiervoor nooit mondeling of schriftelijk toestemming gegeven. Gedurende de hele behandeling keken deze gasten/fellows mee.
De heer Stevens heeft de hele behandeling in het Engels ‘les’ gegeven en had zijn hoofd niet bij mij.
Ik heb veel pijn gehad omdat de verdoving nog niet werkte. De heer Stevens ging gewoon door met ‘lesgeven’. De gasten keken gedurende de hele behandeling (over mij heen) mee. Al liggend kon ik hun gezichten zien. Ik heb dit als zeer intimiderend ervaren. Onaardig personeel, alles moest snel.
Ik heb niet het gevoel gehad in een privé kliniek te zijn behandeld.

Stubenitsky, B.

Plastisch chirurg.
Verrichtte schedeloperaties bij babys in UMC Utrecht met verkeerde operatietechniek in strijd met richtlijn, bron: zembla.vara.nl 2 maart 2016 NPO 21.15

UMC Utrecht opereert kinderschedels in strijd met richtlijn

Een chirurg van het UMC Utrecht heeft schedeloperaties uitgevoerd bij drie baby’s die volgens een landelijke richtlijn hadden moeten worden doorverwezen naar daarvoor gespecialiseerde centra. Ook heeft de chirurg een operatietechniek toegepast die deze richtlijn niet voorschrijft.
De drie operaties in Utrecht zijn niet goed gegaan, waardoor de baby’s opnieuw moeten worden geopereerd, dit keer in het Erasmus MC in Rotterdam. De Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) heeft twee gevallen onderzocht en deze aangemerkt als calamiteiten. Het UMC Utrecht heeft nagelaten deze calamiteiten zelf te melden. De IGZ heeft het ziekenhuis opgedragen met deze behandeling te stoppen. Dat blijkt uit de correspondentie tussen de IGZ en de betrokken ouders die in handen is van ZEMBLA, en uit de verklaringen van deze ouders in de uitzending van ZEMBLA.
RICHTLIJN CRANIOSYNOSTOSE
In de periode november 2012 tot november 2013 zijn bij drie baby’s in het UMC Utrecht schedeloperaties niet goed gegaan, wat tot grote gevolgen voor deze kinderen heeft geleid. De baby’s lijden aan craniosynostose, een zeldzame aandoening waarbij één of meer schedelnaden al zijn dichtgegroeid, wat onder meer tot ongewenste hersendruk leidt. Op basis van een nationale richtlijn, die al in 2012 door de betrokken medisch-wetenschappelijke verenigingen is vastgesteld, moeten patiënten met craniosynostose worden doorverwezen naar twee gespecialiseerde centra: het Erasmus MC in Rotterdam en het Radboudumc in Nijmegen.
Ook heeft de behandelende arts, plastisch chirurg Stubenitsky, een verkeerde operatietechniek toegepast die afwijkt van de landelijke richtlijn.
Volgens een woordvoerder van het Erasmus MC wist het UMC Utrecht af van de richtlijn.
Hij laat ZEMBLA weten: “Alle specialisten zijn betrokken geweest bij de totstandkoming van de landelijke afspraken. De specialisten in Utrecht zijn volledig op de hoogte en van die afspraken en zijn er ook op gewezen.”

Desgevraagd laat het UMC Utrecht weten dat de landelijke afspraken niet bindend waren.

Marcel Daniëls, voorzitter Raad Kwaliteit van de Federatie van Medisch Specialisten, zegt in ZEMBLA dat patiënten erop moeten kunnen vertrouwen dat behandelrichtlijnen worden nageleefd: “Als jij denkt dat je naar een centrum of dokter gaat waar je vertrouwen in hebt dat daar een ingreep gaat gebeuren, dan moet je er ook op kunnen vertrouwen dat die dokter de kennis en kunde met zich meebrengt zoals we met z’n allen in Nederland hebben afgesproken.”

CALAMITEITEN NIET GEMELD BIJ INSPECTIE

Nadat de ouders van de betrokken baby’s bij de Inspectie voor de Gezondheidszorg aan de bel trekken, draagt de IGZ in juni 2015 het UMC Utrecht op met de behandeling te stoppen. Ook merkt de IGZ twee van de drie mislukte ingrepen aan als calamiteiten. Het UMC Utrecht heeft de gevolgen van de operaties niet zelf bij de IGZ gemeld.

Marcel Daniëls van de Federatie van Medisch Specialisten laakt in ZEMBLA deze handelswijze van het UMC Utrecht: “Dat is waar de Federatie van Medisch Specialisten dus voortdurend op hamert: dat is niet wat kan. Een calamiteit wordt gemeld. En een calamiteit wordt uitgezocht zodat we met z’n allen in Nederland er van kunnen leren.”

Ook hoogleraar Patiëntveiligheid Jan Klein, verbonden aan de TU Delft, onderstreept in ZEMBLA het belang van calamiteitenmeldingen door het ziekenhuis: “Als ziekenhuis heb je de plicht om te leren van je fouten. En in dat kader is het heel belangrijk dat je je eigen fouten onderzoekt en probeert om herhaling van fouten te voorkomen. Daarnaast heb je de plicht om de Inspectie te informeren.”
——————

Dr. Bart Stubenitsky – Plastisch chirurg bron: rtl.nl download 2 maart 2016
Dr. Bart Stubenitsky (1971) volgde zijn medische studie en promoveerde aan de Universiteit van Maastricht. Hij is opgeleid tot plastisch chirurg in het Universitair Medisch Centrum Utrecht. Daarna specialiseerde hij zich verder in de reconstructieve en cosmetische aangezichtschirurgie in Toronto, Canada.
Operation Smile
Dr. Stubenitsky brengt elk jaar tijd door in Afrika, waar hij kinderen met hazenlippen en brandwonden opereert voor de stichting Operation Smile.
Balans
“In het Wilhelmina Kinderziekenhuis in Utrecht behandel ik kinderen met aangeboren aangezicht- en schedelafwijkingen, in het Sint Antonius Ziekenhuis werk ik als reconstructief chirurg en opereer ik volwassen met aangezichtsafwijkingen na eerdere operaties, na een ongeval of na ingrepen in verband met kwaadaardige ziekten. Binnen Velthuis kliniek kan ik me helemaal richten op de esthetische chirurgie van het aangezicht. Dat geeft samen een fraaie balans in mijn werk.”
Specialisatie
“Ik heb me gespecialiseerd in aangezichtschirurgie en in het bijzonder neuscorrecties. Het gaat bij een correctie in het gezicht altijd om ‘gevoelige’ chirurgie, aangezien het resultaat voor iedereen zichtbaar is. In het aangezicht kunnen kleine veranderingen een groot verschil maken. Bij elke ingreep streeft je naar een zo natuurlijk mogelijk resultaat.”

Lemmen, M.H.M. Margot

Naam
M.H.M. Lemmen
Geslacht
Vrouw
BIG-nummer
39022450701
Beroepsgroep
Artsen
Specialisme
Plastische chirurgie (plastisch chirurg)
Beperking
Bij de inschrijving in het register van artsen is per 1 december 2015 aangetekend dat deze zorgverlener een berisping is opgelegd. De maatregel is opgelegd vanwege: onjuiste behandeling en/of verkeerde diagnose en onvoldoende informatie.
Toevoeging SIN-NL
Dr Lemmen heeft in samenwerking met het ziekenhuis verschillende verbeteracties ondernomen:
1. Time-out implementatie op de POK, was alleen op grote OK.
2. Medicatie dubbelcheck met chirurg op de POK.
3. Chloorhexidine van de opdektafel af, direct na desinfecteren
Bovendien is zij bezig met een persoonlijk traject tot verbetering van haar professioneel functioneren.

Lemmen, M.H.M.

Naam
M.H.M. Lemmen, Margaretha Henrica Maria
Geslacht
Vrouw
BIG-nummer
39022450701
Beroepsgroep
Artsen
Specialisme
Plastische chirurgie (plastisch chirurg)
Plaats
Breda
Beperking
Bij de inschrijving in het register van artsen is per 1 december 2015 aangetekend dat deze zorgverlener een berisping is opgelegd. De maatregel is opgelegd vanwege: onjuiste behandeling en/of verkeerde diagnose en onvoldoende informatie.